Hoogste toren in de belangrijkste stad

Morgen wordt een nieuw, 2,5 kilo zwaar boek gepresenteerd over de geschiedenis van de Domtoren: 112 meter Utrechtse machtssymboliek, met zorg gebouwd tussen 1321 en 1382.

Historicus René de Kam schreef het ultieme Domtorenboek. Alles staat erin. Foto Ilvy Njiokiktjien

René de Kam weet te veel. Als hij door de stad loopt, ziet hij overal geschiedenis. „Daar stond vroeger een kerk. Dat gebouw daarachter is een middeleeuws kapittelhuis. En de Oudegracht, ja, dat is natuurlijk gewoon een haven! Maar ik kan ook onbekommerd een biertje op een terras drinken, hoor.”

Zijn stad is Utrecht. „Interessanter dan Amsterdam” zegt hij. „De héle geschiedenis die aan Amsterdam en de Gouden Eeuw vooraf ging, vind je hier. De stad zelf is ontstaan als Romeins legerkamp, het centrum is middeleeuws. We hebben hier alles.”

De Kams kantoor is een oude zolder vol papieren en oude monumenteninformatiebordjes in een achterafsteegje. In dat ‘Pandjeshuis’ („ook middeleeuws”) zetelt de Afdeling Erfgoed van de Gemeente Utrecht. Historicus De Kam is er al tien jaar ‘Coördinator Publieksbereik Erfgoed’. Op vele manieren probeert hij de Utrechters bij hun geschiedenis te betrekken. „Op onze Facebook-pagina Bouwdomtoren meldde zich zelfs een man die de hele Domtoren op zijn arm had laten tatoeëren.”

Over dat duidelijkste middeleeuwse kenteken van de stad, de Domtoren, heeft De Kam (1964) nu zijn magnum opus geproduceerd. Morgen wordt het boek gepresenteerd – 2,5 kilo zwaar. De Kam schreef het samen met multimediaspecialist Daan Claessen (1985) en bouwhistoricus Frans Kipp (1947). Zelfs de vele 3D-reconstructies van het bouwproces en de stad – Claessens werk – zijn van noten voorzien. Maar De Kam blijft een publieksman: „Als je alleen de afbeeldingen bekijkt, krijg je óók een goed overzicht van de geschiedenis.”

In de middeleeuwen was Utrecht de belangrijkste stad van Nederland, intellectueel en cultureel te vergelijken met Luik of Keulen. Het was ook het bestuurlijk centrum van het zelfstandige bisdom Utrecht, dat veel groter was dan de huidige provincie.

Al rond 1250 begon de bouw van een nieuwe gotische kathedraal in Utrecht, toen een grote mode in Europa. Pas rond 1320 ontstond het plan om daarbij een zeer hoge toren te bouwen. Het idee kwam van een deel van de kerkelijke elite van Utrecht: het domkapittel. De bouw van zo’n toren moest de superioriteit tonen van het domkapittel over de vier andere kapittels van de grote kerken in de stad. De Kam: „Je denkt: in de middeleeuwen is religie superbelangrijk, het zal wel ter ere van God zijn. Maar het komt allemaal voort uit machtstrijd. De toren, 112 meter, is geen symbool van godsdienst, maar van macht, zoals het hoge Rabo-gebouw bij Utrecht CS, 105 meter, dat nu ook is.”

De Kam schreef het ultieme Domtorenboek. Alles staat erin. Hoe diep de fundamenten zijn (vijf meter). Hoe de domtoren eigenlijk een veel hogere open stenen spits zou hebben maar dat een scheur in de torenmuur dat voornemen doorkruiste. Hij vertelt ook over het enorme gedoe om stenen te bestellen in Koblenz en Keulen. En de typische vorm van de toren: twee hoge vierkante delen bekroond met een achthoekige lantaarn, vond overal navolging. Bij voltooiing in 1382 was hij een van de hoogste van Europa; hij staat daarom op veel middeleeuwse schilderijen.

Natuurlijk ontbreekt in het boek niet de tornado uit 1674, die rakelings langs de onbeschadigd gebleven Domtoren scheerde, maar wel het middenschip van de Domkerk vloerde. Ook vertelt De Kam over torenkoster Josua Wilts die in 1729 om drankmisbruik en geweldpleging werd vervolgd. Voor de rechtbank vertelde Wilts over de vele homoseksuele ontmoetingen in de Michaelskapel, op de eerste verdieping van de Domtoren. Die onthulling leidde tot arrestaties in de hele republiek en tot tenminste vijf doodvonnissen in Utrecht: een van de grootste homovervolgingen in de Nederlandse geschiedenis.

Is uw grootste ontdekking niet hoe uitstekend de bouw van die toren en de domkerk georganiseerd was?

„Ja. Ieder jaar werd er een andere hoge geestelijke van het domkapittel ‘fabrieksmeester’, leider van de bouw. Eerst een half jaar als assistent van de oude fabrieksmeester en dan een jaar echt de baas. Dat ging honderden jaren zo door. Ik denk echt dat dat systeem enorm heeft geholpen tegen de corruptie. Het ging allemaal heel netjes. Zelfs als je nu onder het domplein de fundamenten ziet van het stuk Domkerk dat in 1674 is verwoest, dat is allemaal zo ontzettend netjes! Er was een duidelijke hiërarchie en helder leiderschap. De ontwerpers en bouwers waren ook echte vaklui. Dat relativeert ook wel een beetje het arrogante heden, van ons met onze almachtige computers.”

Maar waarom duurde het dan toch zo lang? De torenbouw duurde meer dan zestig jaar, de hele kerkbouw liep van 1254 tot 1525.

„Ja. Dat had best sneller gekund. De Utrechtse Pieterskerk werd in de elfde eeuw in acht jaar voltooid. En het kasteel Vredenburg was in 1529 al na drie maanden werk een verdedigbare vesting. Maar die twee gebouwen werden mede door de keizer gebouwd, met enorme middelen. Keizer Karel V liet 1.500 man aan Vredenburg werken. De Domtoren en -kerk vormden een veel kleinere onderneming. Ik heb eindeloos zitten tellen in de overgebleven bouwrekeningen van het Domkapittel, waarin álles werd vastgelegd en verantwoord. Als de werklui na de zware klus een extra biertje kregen om het stof weg te spoelen, werd dat ook genoteerd. Je ziet ook dat dertig jaar lang telkens dezelfde man wordt ingehuurd om zware spullen met zijn kar te verslepen. Eén keer bezwijkt die kar daaronder en dan betaalt het kapittel de reparatie.

„Uit de rekeningen blijkt dat hooguit een man of 15 vast in dienst waren. Steenhouwers, metselaars en een paar opperlieden. Timmerlui werden tijdelijk aangenomen. Het was een klein en overzichtelijk bedrijf. De financiering kwam vrijwel geheel uit de aflatenhandel, een kleine maar gestage bron. De kerk was net op tijd klaar. In 1517 kwam Luther met zijn felle kritiek op de aflaathandel en in de jaren daarna dalen de inkomsten snel. Mensen geloofden niet meer in aflaten.”

U bent enorm bezig dat verleden onder de mensen te brengen. Hoe belangrijk is dat voor een stad?

„Tijdens mijn studie woonde ik in de Pietersstraat. Leuk buurtje, dacht ik, en verder wist ik niks. Nu weet ik dat dat ooit het gebied van het kapittel van de Pieterskerk was. Het middeleeuwse kapittelhuis staat er nog steeds, maar ingebouwd. Dat soort kennis verrijkt je omgang met de omgeving. Iedereen zou moeten weten dat we leven in een optelsom van alles wat hier is gebeurd. Als je ziet wat er vóór de jaren 70 allemaal gesloopt is! Voor Hoog Catharijne een hele wijk: van sommige monumenten werden de bordjes afgehaald en dan gingen ze tegen de vlakte. En nu vindt bijna iedereen het waardevol. Erfgoed is ook meer dan een reflectie van je identiteit. Je wordt blij in mooie oude steden, net als in mooie natuur.”