Fluitketels op glad ijs

Sinds de Olympische Spelen staat curling weer in de belangstelling // Je kunt het hier in Nederland zelf leren, in Zoetermeer // Maar makkelijk is anders

Eve Muirhead (Groot-Brittannië).

Stel je voor dat er een voetbaleiland zou bestaan, waar FIFA-ballen aan bomen groeien en waar Louis van Gaal vlak voor het WK naartoe vaart om goede ballen voor ons elftal te oogsten. Onzin natuurlijk.

Maar voor de kust van Schotland, ligt Ailsa Craig. Een eiland – nog geen vierkante kilometer groot – met rotskliffen die steil uit de golven oprijzen, ruim 300 meter hoog. Het paradijs voor curlingspelers. Nergens ter wereld zijn betere granietrotsen te vinden dan daar. Eens in de pakweg tien jaar gaan er steenhouwers naar Ailsa Craig om een nieuwe voorraad curlingstenen te halen. Vaker mag niet: dan zouden de granietrotsen te snel verdwijnen.

De stenen zijn koudebestendig en glijden bij lage temperaturen goed over het ijs. Bovendien kunnen ze tegen een stootje. Ideaal, ze botsen in een wedstrijd met tientallen kilometers per uur tegen elkaar aan. Vanuit Schotland gaan de gepolijste stenen, 1000 euro per stuk, de hele wereld over – naar Canada, Rusland, Zweden.

En naar Zoetermeer, want daar bevindt zich de enige indoor-curlinghal van de Benelux. Vier banen naast elkaar, elk 42 meter lang.

Stenen fluitketels

Op een van die banen zit ik vandaag; onwennig geknield op het ijs. Eens testen of ik geschikt zou zijn voor de Winterspelen van 2018. Wanten aan, sjaal om: de gevoelstemperatuur ligt een paar graden boven nul. Voor mijn neus twintig kilo grijs graniet met een handvat erop. Met toegeknepen ogen heeft de glimmend gepolijste steen iets weg van een fluitketel.

Toen ik de baan opstapte, gleed ik direct onderuit. Ik werd opgeraapt door Linde de Wit (20), curlingprof en voormalig lid van het Nederlandse damesteam. „Iedereen die voor het eerst gaat curlen, staat als een onwennige Bambi op het ijs”, zei ze troostend. „Bereid je maar voor: naast blauwe plekken heb je morgen spierpijn. In spieren waarvan je niet wist dat je ze had.”

Op tv zag het er zo eenvoudig uit. Eenvoudig en enigszins absurd – stenen fluitketels, bezems en een soort dartbord op het ijs, met in het midden een witte ‘bullseye’. Doel is de curlingsteen zo dicht mogelijk bij dat midden te krijgen; de bezems zijn er om de baan te boenen en de steen extra vaart te geven.

Absurd of niet, in Sotsji leek curling opeens hot. Misschien kwam het door de clowneske pakken van het Noorse team. Misschien lag het aan het aantrekkelijke Russische vrouwenteam. Misschien ook was het de stem van Sir David Attenborough, de natuurfilmmaker die een wedstrijd van het Engelse vrouwencurlingteam becommentarieerde. „And off she goes: gently but flamboyantly launching the oversized walnut down the frozen river.” Hoe dan ook: de sport kreeg volop media-aandacht, en dat is te merken in Zoetermeer. Normaal krijgt de Nederlandse curlinghal per dag ongeveer vier aanvragen voor workshops. Bedrijfsuitjes, verjaardagen, vrijgezellenfeestjes... Sinds Sotsji zijn het er zestien per dag.

Opvallend is die aandacht wel. In Nederland kennen we het Kramer-effect (iedereen massaal op schaatsles) en het Zonderland-effect (nadat Epke in Beijing goud won, nam het aantal jongens dat op turnen wilde explosief toe). Maar op curlinggebied hebben we geen enkel olympisch rolmodel: Nederland heeft op dat onderdeel nooit aan de Spelen meegedaan.

Marihuana

„Met rechts moet je afzetten”, zegt De Wit. Ze doet het voor: gehurkt, linkervoet op het ijs, rechtervoet op het startblok. Haar hand omklemt het handvat van de curlingsteen. Dan strekt ze het startbeen naar achteren, en glijdt ze vooruit. De neus van haar rechtergymp is na al die jaren zo versleten dat hij met zilvergrijs ducktape is dichtgeplakt. Na mijn achtste poging lukt het een steen bijna in de bullseye te krijgen. ‘Wie weet toch de Winterspelen...’, denk ik triomfantelijk – om direct daarna onderuit te glijden.

Zelf volgde De Wit de curlingwedstrijden in Sotsji op tv. „Mijn vriend werd er gek van. Dan zei ik weer: hee, daar heb je Eve. Of Vicki. Of Claire. Ik heb regelmatig tegen ze gespeeld.” Zestien was De Wit, toen ze haar bij het nationale damesteam vroegen. Ze was verreweg de jongste speelster van het team: de gemiddelde leeftijd lag rond de 35. „Mijn klasgenoten vonden het wel cool, als ik na een EK op maandagochtend met mijn koffer in de klas verscheen. Of als ik vertelde dat er op Valentijnsdag een vreemde vrouw had aangebeld. Met een plastic potje: of ik daar even in wilde plassen, voor de dopingcontrole.” Doping? „Er is weleens iemand geschorst vanwege marihuanagebruik. Word je lekker relaxed van.”

De Wit en haar teamgenotes reisden heel Europa af. „Eenmaal hebben we ons bijna gekwalificeerd voor het WK; van daaruit heb je een goede kans om op de Olympische Spelen te komen. Maar juist de beslissende wedstrijd verloren we.”

Daarna verdween de teamspirit geleidelijk. „Een speelster raakte zwanger, zelf kreeg ik een vriendje. Ik had geen zin meer om elk weekend vanuit Eindhoven naar Zoetermeer te rijden en keihard te trainen.” Het damesteam stopte. De Wit: „Voorlopig beperk ik me tot Beer & Whisky Tournaments. Minder stressvol, en ook leuk. De Schotten hebben bezemstelen met ingebouwde whiskyflacons.”

    • Gemma Venhuizen