Dit zijn de electorale vluchtheuvels

Een kwart van alle gemeenteraadszetels wordt bezet door lokale partijen // Hun opmars lijkt niet te stuiten

Ze zijn met meer dan duizend en ze zitten overal. Ze komen op voor ouderen of studenten, voor moslims of voor christenen, voor dieren of voor dorpen, of voor zichzelf. In Oirschot is er één voor De Gewone Man. In Eindhoven één voor Teleurgestelde Burgers. Sommige markante namen verraden de meest particuliere belangen, zoals de partij Tot Behoud Huis de Haas in Lansingerland en de Partij voor de IJsbaan in Zaanstad.

Terwijl politiek Den Haag zich afvraagt welke landelijke partijen straks bij de gemeenteraadsverkiezingen door kiezers worden beloond of bestraft, zullen lokale partijen opnieuw de meeste zetels halen. Gezamenlijk zijn de plaatselijke groeperingen al groter dan de afdelingen van welke landelijke partij dan ook. Bijna een kwart van alle zetels bezetten zij. En hun opmars zet door, zo is de voorspelling.

Niet dat ze dat gecoördineerd of in gezamenlijkheid voor elkaar krijgen. De diversiteit aan lokale partijen is enorm en ze willen vaak weinig met elkaar te maken hebben. „Als ze iets gemeen hebben, is het dat de meesten in de conservatieve, rechtse hoek zitten”, zegt André Krouwel, politicoloog aan de Vrije Universiteit.

Wetenschappers onderscheiden grofweg drie typen lokale partijen. Krouwel omschrijft ze als de „conservatieve reactionairen”, de „populistische bozen” en de „identiteitsgebondenen”. De eerste categorie ontstaat wanneer er veranderingen dreigen in de fysieke structuur van een gemeente. Er wordt een weg doorgetrokken of een zwembad gesloten en in de poging dat tegen te houden, wordt een politieke partij opgericht. Zoals in Lansingerland, waar het echtpaar De Haas weigerde hun huis op te geven voor de hogesnelheidslijn.

Het tweede type overstijgt vaak een lokaal issue, maar is gebaseerd op algehele onvrede. „Tegen de aanwezigheid van immigranten en de elite die met hen heult”, zegt Krouwel. Ten derde zijn er partijen die opkomen voor mensen met een bepaalde identiteit. „Dat kunnen Friezen, ouderen of moslims zijn, maar ook mensen uit een bepaald dorp die zich getroffen voelen door een herindeling.”

De lokale protestpartij – tégen landelijke politieke partijen, tégen de heersende elite – is de bekendste variant van het fenomeen. Populistische groeperingen, zoals Leefbaar Hilversum, Leefbaar Rotterdam en de Fortuynistische bewegingen die daaruit voortkwamen, zorgden in de jaren negentig en begin deze eeuw voor een electorale verschuiving die nog steeds gevoeld wordt. Maar dit type – dat met Geert Wilders ook landelijk vertegenwoordigd is – lijkt lokaal over zijn hoogtepunt heen, zegt Marcel Boogers, hoogleraar regionale politiek aan de Universiteit Twente. „We zien nu meer partijen die opkomen voor lokale belangen.”

Lokale partijen hebben iets meer te maken met ruzies en afsplitsingen. Waarschijnlijk omdat ze vaker hangen aan één persoon, of omdat de leden naast het ene punt dat hen bindt het nergens over eens zijn.

Helemaal vanzelfsprekend is het gewicht van de lokale partijen niet. Uit onderzoek van de Universiteit van Tilburg blijkt dat bijna de helft van de kiezers zich bij lokale verkiezingen laat leiden door landelijke thema’s.

Het paradoxale, zegt Boogers, is dat „lokale partijen profiteren van landelijke politieke trends”. Vier jaar geleden keerden veel CDA’ers hun partij de rug toe. De overstap naar een landelijke concurrent was te groot, maar de lokalen waren „een electorale vluchtheuvel”. Hij verwacht nu een vergelijkbare beweging van ontevreden VVD’ers en PvdA’ers.

Dat Nederland zo veel lokale partijen heeft, komt door het ontbreken van een kiesdrempel. Tel daarbij op de huidige volatiliteit van de kiezer en „iedere dorpsgek die een partij op richt maakt een kans”, zegt André Krouwel. In Enkhuizen doet er zelfs een partij mee die Paljas heet. „Het is wel lachen”, zegt Krouwel. „Maar het komt de stabiliteit en de bestuurbaarheid niet ten goede.”

Naast de algehele versplintering zijn lokale partijen meestal amateuristischer dan hun landelijke concurrenten. Ze krijgen geen subsidie om hun raadsleden te trainen, die landelijke partijen wel krijgen. En ze hebben geen hoger orgaan dat kan bemiddelen bij interne twisten.

Politici van landelijke partijen doen hun best om kiezers een lokale stem te ontraden, door te benadrukken dat zij zelf ‘korte lijntjes’ hebben met hun partijgenoten in Den Haag. Zeker nu verantwoordelijkheden worden overgeheveld naar de gemeenten, zou het een voordeel zijn als de wethouder in direct contact staat met de minister en Tweede Kamerleden. „Ze proberen alles uit de kast te halen om lokalen in een kwaad daglicht te plaatsen”, zegt Marcel Boogers. „Terwijl je ook kunt zeggen dat die nauwe banden er ook toe kunnen leiden dat vertegenwoordigers van een grote partij in de gemeenteraad opeens het landelijke of provinciale belang laten preveleren omdat de partij dat wil.”

Al is op het succes van de lokalen ook het nodige af te dingen. Het huis van de familie De Haas werd in 2011 toch gesloopt. En hoewel de Partij voor de IJsbaan al acht jaar in de gemeenteraad zit, heeft Zaanstad nog altijd geen schaatsbaan.

    • Emilie van Outeren