De seksist wordt in het volle licht gezet

In de voorbeeldige novelle ‘Een mooie, jonge vrouw’ valt vooral de misogynie van de hoofdpersoon op: een vrouw veroveren is één ding, maar waar blijft de liefde?

Tekening Paul van der Steen

Tommy Wieringa schrok toen hem een jaar geleden in een stuk over de nominaties voor de Librisprijs het verwijt van mooischrijverij werd gemaakt. Helemaal uit de lucht gegrepen was de klacht niet: Wieringa houdt van gladde, lekkere zinnen en verhalen – al had hij die Librisnominatie (en daarna de prijs) juist te danken aan zijn meest hoekige boek van de laatste jaren: Dit zijn de namen.

Nu, een jaar later, schrijft hij in zijn Boekenweekgeschenk Een mooie jonge vrouw: ‘Het groen had zich gesloten boven hun hoofden, door de bladerkronen schoten pijltjes prismatisch licht. Hij roeide geruisloos. Waar de roeispanen in het water verdwenen, ontstonden zijdeachtige kolkingen van zwart en zilver.’

Tja, het is geen Elsschot. Maar is het ook mooischrijverij? Is het kitsch? Want gepolijste taal wordt pas overgepolijst als de inhoud erbij achterblijft, als er geen reden is voor de opsmuk. Hier, op pagina 11 van Een mooie jonge vrouw, is die er wel. De hoofdpersoon, een 42-jarige viroloog is er juist in geslaagd om een beeld- en beeldschone 28-jarige blondine mee uit roeien te nemen. Hij was al bij de eerste keer dat hij haar (vooral: haar kont) zag bevangen door haar schoonheid en heeft haar de tweede keer op grootse wijze haar adres ontfutseld.

Op het hyperromantische roeiuitje verleidt hij haar verder met een perfecte picknick (‘Kleine sandwiches, een salade, de dressing apart’) – een man die weet wat vrouwen willen. Ze doen het op een bed van gras en mos onder het bladerdak. De pijltjes prismatisch licht waren dus functioneel: ze dienden om te tonen hoe heerlijk-romantisch de beginnende liefde van Edward voor de veertien jaar jongere Ruth is.

Dat die liefde hem binnen het korte bestek van een Boekenweekgeschenk wel naar de ondergang zal voeren, laat zich raden. Wieringa wikkelt zijn verhaal soepel af: de politieke verschillen van inzicht, de hatelijke schoonvader, het huwelijk, de huilbaby en het overspel: Een mooie jonge vrouw is een voorbeeldige novelle, strak van tempo, met sterke scènes en een alleszins geloofwaardig portret van de man in kwestie.

Strooppot

Bovendien laat Wieringa zien dat hij zijn pen niet in de strooppot hoeft te dopen om goed te schrijven. Wanneer Ruth op het eerste tochtje even in een boomgaard is verdwenen, terugkeert en hem kust ‘heeft hij het verwarrende gevoel dat ze het bos is ingegaan om te overleggen met soortgenoten, nimfen zoals zij’. En tijdens het voorspel tot een huiselijke ruzie: ‘Ze schopte haar schoenen uit, wat onder de gegeven omstandigheden iets onheilspellends had.’

Niet toevallig wordt in die beide gevallen het onbegrip van Edward gefixeerd, want als één ding duidelijk wordt uit Een mooie jonge vrouw dan is het dat de hoofdpersoon maar heel weinig van zijn mooie jonge vrouw begrijpt. Hij weet hoe hij haar moet veroveren, dat wel, maar verder? Daarna is hij vooral bang dat ze hem weer zal verlaten. Zijn liefde is er in de eerste plaats een voor haar schoonheid, die hij dadelijk verbindt met een artistiek object: ‘De zonneschijf tussen de horens van de kleine, volmaakte apisstier, lang geleden in een museum in Damascus.’

Schoonheid maakt machteloos. Liefde, of wat daarvoor door moet gaan, is in dit boek eenrichtingsverkeer. Uiteindelijk is er geen wezenlijk verschil tussen de affectie van Edward voor zijn echtgenote en die voor de kip, die hij als kind redde uit een legbatterij en enige tijd verzorgde. Ergens tussen de kip en een kunstvoorwerp, daar vinden wij de vrouw. Veelzeggend zijn wat dat betreft de discussies tussen Ruth en Edward over de vraag of dieren gevoel hebben en kunnen lijden.

De liefde voor een mooie jonge vrouw is ook de liefde voor een vrouw waarmee je als man graag gezien wil worden. Zo is Edward meer een vrouwenveroveraar dan een vrouwenliefhebber. Al vroeg in het verhaal zet Wieringa het seksisme van zijn hoofdpersoon in het volle licht: ‘Intelligente, schitterende vrouwen, maar het leek of schoonheid en intelligentie in een en hetzelfde wezen een diepe innerlijke gespletenheid veroorzaakten. Het duurde altijd even voor je het zag, maar daarna kon je het nooit meer niet zien. De literatuur hield ervan zulke vrouwen voor te stellen als tragische heldinnen, maar wanneer hij over hen las, gunde hij ze eigenlijk vooral een straf regime van psychofarmaca.’ Even verderop laat hij Edward over zijn vrouw denken: ‘de wereld was haar voorstelling’, een echo van De wereld als wil en voorstelling, het hoofdwerk van de misogyne meester Arthur Schopenhauer.

Vrouwenhater

Zo bezien had dit Boekenweekgeschenk ook best ‘Een knappe oude vrouwenhater’ kunnen heten. Maar toch ontbreekt er iets aan Een mooie jonge vrouw en dat is nu precies die mooie jonge vrouw. Want doordat het verhaal zich zo op de man concentreert, verdwijnt een van de andere thema’s langzaam uit zicht: de uitwerking van het leeftijdsverschil tussen de geliefden. Tot tweemaal toe schrijft Wieringa: ‘Hij werd niet jonger van haar, zij werd ouder van hem.’ Dat is een haarscherp geformuleerd thema, maar het is helaas een kwestie van ‘tell, don’t show’. Natuurlijk wordt Ruth ouder, maar van een wisselwerking met Edward, laat staan met zijn leeftijd, is geen sprake. Voor hem verandert zij van een onbegrijpelijke twintiger in een onbegrijpelijke dertiger: eerst een mokkel, dan een moeder, maar altijd een object: van verlangen, van verovering en, uiteindelijk van weerzin en onophoudelijk van verwarring.

Wieringa slaagt er niet in om in Een mooie jonge vrouw veel méér te tonen dan de beperkte blik van zijn hoofdpersoon en dat heeft iets onbevredigends. Al was dat misschien niet opgevallen als Wieringa in de voorgeschreven 96 pagina’s de man uit zijn boek niet zo levensecht en overtuigend had geportretteerd. Waarbij hij, zeker als Edward Landauer, eenmaal straf richting duisternis marcheert, laat zien dat hij zijn metaforen sterk en sober kan houden: ‘Zondag lag voor hem als een steile klim.’ Op maandag zou alles instorten.

    • Arjen Fortuin