Bijna verzuipen in de Beringzee

Redmond O’Hanlon reist met koffer en ‘muizenfetisj’. Hij heeft geen voorliefde voor fatale ondernemingen. Zijn helden des te meer en die spatten van de pagina’s af.

Ooit is de Britse schrijver en reiziger Redmond O’Hanlon een bang manneke geweest, want hij kon het niet zonder fetisj stellen. Het ding – een soort ‘al weken dode muis’ – raakte zoek in een restaurant in Rotterdam na een optreden in boekhandel Donner. Bij navraag de volgende dag bleek het restaurant grondig te zijn gekuist en was er niets gevonden dat op een dode muis leek. Gelukkig dook het ding later alsnog op in het nog niet opgehaalde vuilnis.

Grappig, want juist O’Hanlon staat te boek als de unverfroren globetrotter die in de leerzame tv-serie O’Hanlons helden in het kielzog van min of meer vergeten, 18de- en 19de-eeuwse avonturiers en naturalisten de wereld verkende. Die serie is nu ingekookt tot een weldadig geïllustreerd boek, vooral bestemd voor wie uitgebreider dan op de tv de whereabouts wil volgen van het rubbergenie Wickham, van spion Przjevalski of van Cope en Marsh, de twee paleontologen die een bottenoorlog voerden in Amerika, waar ze 130 nieuwe dino-achtigen aan het licht brachten.

De degelijke minibiografieën van de dertien ontdekkingsreizigers namen bioloog Marc Argeloo en publicist Alexander Reeuwijk voor hun rekening. Emile Brugman, oprichter van uitgeverij Atlas, tekende voor de langere inleiding, over achtergrond, boeken en belevenissen van de Brit en half-Amsterdammer O’Hanlon.

O’Hanlon is niet te benijden. De schrijver lijdt al jaren aan een writer’s block en is ‘halsstarrig in verzet tegen depressie’. Die laatste aandoening lijkt verband te houden met een geestelijk labiele moeder. Zij presteerde het om hem als kind af en toe bewusteloos te slaan en, toen hij studeerde in Oxford, zijn bibliotheek in de fik te steken. Na haar dood had O’Hanlon graag nog wat kogels door haar kist gejaagd, om er zeker van te zijn dat ze niet langer onder de levenden was.

Met deze bagage, en met dat reiskoffertje, hebben we hem door het Sahara-zand, langs tropische rivieren en op Spitsbergen zien zeulen. Op weg naar bijvoorbeeld de in Egypte achtergelaten bezittingen van Alexine Tinne, een rijke, onbesuisde Haagse juffer die de oorsprong van de Witte Nijl wilde ontdekken. Ze trok met moeder, zuster, personeel, kamelen en tonnen bagage naar Khartoem, waar slaven, bandieten, klimaat en ongedierte haar verbijsterden. Moeder, zuster en dienstmeisje stierven aan enge ziektes. En later werd Alexine zelf door Toearegs vermoord.

Met Percy Fawcett, in de ban van een vergeten stad in het Amazonegebied, liep het niet veel beter af. Eerst ging het hem om de handel in Zuid-Amerika, maar na de ontdekking van de Incastad Machu Picchu in 1911, en een opgedoken document, kwam hij in de ban van de ergens in het oerwoud verzonken stad ‘Z’. Die is nooit gevonden, en Fawcett zelf trouwens ook niet.

Orang-oetans

Nee, O’Hanlon heeft geen voorliefde voor fatale ondernemingen. Hij legde in zijn tv-serie bijvoorbeeld veel genegenheid aan de dag voor natuuronderzoeker en ‘werkmens’ Alfred Russel Wallace, die ook naar de Amazone trok, maar schipbreuken en malaria overleefde. Op expeditie in Borneo, waar hij 29 orang-oetans omlegde – naturalisten doodden veel dieren, het liefst ‘nieuwe soorten’, voor verzamelingen en onderzoek – kwam hij tot dezelfde evolutie-inzichten als Darwin. En die was na lezing van Wallace’s essay daarover ‘not amused’: ‘al mijn originaliteit, als die er al is, zal teloorgaan.’ Maar Wallace, die besefte dat hij en Darwin onafhankelijk van elkaar waren gestuit op het idee van ‘natuurlijke selectie’ was bescheiden. Hij gunde Darwin alle eer. De aimabele, minder welgestelde Wallace is ‘een veel romantischer, avontuurlijker en een meer gedreven figuur dan Darwin’, aldus O’Hanlon. Vandaar dat we hem destijds in het oerwoud zagen speuren naar de wallace-paradijsvogel in Oost-Indonesië, waarvan in het boek een mooie illustratie is opgenomen.

Het wonderlijkste personage in dit ‘avonturenboek’ is zonder twijfel het talenwonder Sir Richard Francis Burton, naar eigen zeggen ‘een vastberaden en niet-blozende leugenaar’. Tijdens zijn reizen met de East India Company vermomde hij zich als Indiër, Arabier, derwisj, Syriër. En hij wist zich ook van sjiiet tot soenniet te transformeren, waar nu veel voor te zeggen valt.

Burton drong als eerste Europeaan door tot Medina en Mekka. Verliefd op gevaar streek hij later neer in Somalië, waar hij een aanval van lokale stammen ternauwernood overleefde. Vanwege de Krimoorlog wilde hij met een zelf geformeerd leger van vierduizend ‘wilde Turken’ ten oorlog te trekken. Dat werd een mislukking – dus waarom niet naar de bron van de Witte Nijl, dacht hij, net als Alexine Tinne. Ook dat ontaardde in een catastrofe. Uiteindelijk vestigde hij zich in Triëst, waar hij als eerste de erotische Vertellingen van Duizend-en-een-Nacht integraal in het Engels vertaalde. Het Britse thuisfront sprak er schande van.

Bordelen

O’Hanlon had nooit en te nimmer in de krankzinnig gevaarlijke voetsporen van Burton kunnen treden. Hij deed iets anders: hij probeerde Burtons verslag van de jongens- en eunuchenbordelen in de Pakistaanse provincie Sindh op te sporen, destijds geschreven in opdracht van een generaal omdat Britse soldaten daar naar verluidt net iets te vaak rondhingen. Helaas, tussen alle papieren in Mumbai ontbrak Burtons ‘participerend onderzoek’.

O’Hanlon zag je op tv gretig naar dat rapport speuren, maar zijn hart ligt elders: ‘Voor ‘Redsie (Redmond) is met windkracht tien in een cycloon op de Beringzee bijna verzuipen nog altijd een groot feest vergeleken met de weg terug naar bed en Bertie de kat in Oxford’, aldus regisseur Roel van Broekhoven in de inleiding. Dat verlangen naar avontuur gistte in de tv-serie. In dit boek lees je over de ontberingen die O’Hanlon gelukkig bespaard bleven.