Martha en George, nu griezelig dichtbij

Kraakman en Derwig spelen het iconische toneelkoppel Martha en George uit ‘Who’s afraid of Virginia Woolf’ zo persoonlijk en transparant mogelijk. „Soms is het bijna geen toneel meer.”

Jacob Derwig en Maria Kraakman. „We creëren Martha en George ter plekke, met elke zin die we uitspreken. En dat doen we vaak gewoon zoals Jacob en Maria dat doen.” Foto David van dam

Dat is eng: een Martha waarin je jezelf herkent. Een George die aan je vader doet denken. Geen karikaturen, geen oorlog op afstand, geen dronkenmansgelal; geen lach-of-ik-schiet. Maar gewoon: twee diep ongelukkige mensen, die van elkaar houden maar elkaar in de verstikkende houdgreep van het huwelijk alleen nog maar pijn kunnen doen – uit teleurstelling, frustratie, onmacht. Zo’n George, ineengedoken, verongelijkt, zoals je die dagelijks op het werk ziet, of op straat. En een Martha – neurotisch, destructief – die je in je donkerste uren zelf kunt zijn.

Acteurs Jacob Derwig en Maria Kraakman spelen Who’s afraid of Virginia Woolf (1962) en brengen het iconische vechtkoppel van Edward Albee griezelig dichtbij.

Derwig (44) en Kraakman (38) zijn blij verrast dat hun spel tijdens een eerste doorloop voor publiek dit effect bereikt. Want het was lang zoeken en hard werken om zich deze archetypes eigen te maken. Kraakman: „Je staat bij voorbaat 3-0 achter. Mensen komen al binnen van: oja, leuk, dat vechthuwelijk! Eens kijken wat deze twee daar nu weer van maken.”

Derwig: „Daarom willen we vanaf de allereerste medeklinker duidelijk maken: dit is anders, jongens. Nu is het van ons.”

Het spelen van de twee beroemde personages is evenzeer krachttoer als bekroning; acteurs moeten flink afzien, maar kunnen ook schitteren. Het is een acteursfeest: een duet, of duel, van virtuositeit. Maar ook een beproeving: de verhalen over paniekaanvallen en claustrofobie van eerdere vertolkers zijn talrijk. Derwig en Kraakman lachen dat een beetje weg. Maar zwaar is het wel. Derwig: „Het vergt een grote conditie, en een nog grotere precisie. Je maakt een lange, intensieve boog. En dan zijn we na afloop ook niet al te vrolijk. Het gewicht van dit stuk blijft aan je kleven. Het is zo treurig; zo intens treurig.”

Feestje

In Who’s afraid of Virginia Woolf zien we één nacht uit het leven van het echtpaar Martha en George. Na een feestje op de campus – George is docent geschiedenis – nodigen ze ’s nachts bij hun thuis een ander koppel uit: Nick (Sanne den Hartogh) en Honey (Kirsten Mulder). Dit argeloze stel wordt hun speelbal in de nietsontziende onderlinge treiterij, die al 23 jaar voortduurt. Maar deze nacht gaan ze nét iets verder, met verstrekkende gevolgen.

Derwig en Kraakman spelen de afmattende oorlogsnacht van George en Martha integraal, in drie uur inclusief pauze, in een regie van Erik Whien. Gaandeweg vallen acteur en personage steeds meer samen: beiden hebben dezelfde uitputtingsslag doorstaan. Die ‘authenticiteit’ is kenmerkend voor de regiestijl van Whien. Kraakman: „In de regieaanwijzingen staat Martha omschreven als een grote vrouw, voluptueus, luid, 52 jaar. Als je mij ziet opkomen denk je niet meteen, ah, Martha! Wij werken niet met dikmaakpakken of grijze pruiken; de ‘gelijkenis’ met Martha zoeken we meer van binnen. Door haar zo transparant mogelijk te spelen, resoneert er van alles van mijzelf mee.”

Derwig: „Erik zoekt naar een manier van spelen die heel zuiver op de graat is. We hebben niet vooraf een ‘Martha’ of een ‘George’ klaarliggen, met een gek loopje, een rare scheiding of een accent. We creëren ze ter plekke, zin voor zin, en daarom schemert er ook veel van onszelf doorheen. We bouwen ze op met elke zin die we uitspreken, en dat doen we vaak gewoon zoals Jacob en Maria zouden doen.”

Kraakman: „Het is heel vervelend om naar een acteur te kijken die te zeker is van zijn rol. Die denkt: jullie doen maar, ik speel m’n rol en daarna zit het erop. Wij bouwen een scène echt samen op. We proberen naar elkaar te luisteren op toneel, ook al kennen we de tekst natuurlijk, en ‘in het moment’ te reageren.”

Oorlogscène

Dat wordt goed zichtbaar in wat de acteurs ‘de oorlogscène’ noemen, waarin George en Martha elkaar de totale oorlog verklaren. Dat moment is zo herkenbaar en dichtbij, dat het bijna pijn doet. Derwig: „We proberen die scène zo te spelen dat hij oploopt als een ruzie die twee mensen echt zouden kunnen hebben. Daar maken we verder niets theatraals van. Die scène moet voelen alsof er niks over is afgesproken, alsof we er geen ritme of vorm voor hebben bedacht, en alsof we er niets méér mee bedoelen dan dat gesprek zo hard en direct mogelijk te voeren. Het is daar echt even bijna geen toneel meer.”

Heel concreet hebben ze met Whien niet over hun rolopvatting gesproken. Ze bespraken de zuiverheid en soberheid die hij nastreeft in de regie, en dat hij hen niet op de lach wilde laten spelen – „géén komedie”. Verder hebben ze hun personage zelf ingevuld. Kraakman: „Mijn interpretatie is dat Martha dat sarren en bitchen uitsluitend doet vanuit verlangen. Het is een poging om contact te maken, om erkend te worden: zie mij, hou van mij. Zij krijgt nog liever een mep dan dat ze de gruwelijke afwijzing van de desinteresse moet accepteren. En haar tragiek is natuurlijk dat juist die aanpak het contact waar ze zo naar hunkert, de liefde, onmogelijk maakt.”

Die ene nacht slaat George, volslagen geïmplodeerd na 23 lange jaren vol vernedering, voor het eerst echt meedogenloos terug. Hij brengt een illusie die ze samen koesterden, een verzonnen zoon, genadeloos om zeep, en vernietigt zo het enige waar ze nog samen troost uit putten.

Derwig: „Ik vind het belangrijk dat mijn George geen psychopaat is. Zijn daad overvalt hem ook. Eerst is hij meedogenloos, en daarna in shock, van: what the fuck heb ik gedaan? Hij heeft iets kapotgemaakt wat hem ook dierbaar was. Ik wil het zo spelen dat je ziet dat de schrik die hij voelt ook echt bij hem naar binnen slaat. Wat heb ik gedaan, en hoe moet het nu verder?”

Kraakman: „Er is een atoombom afgegaan en nu zitten zij in een soort vacuüm, beduusd en nog met een piep in hun oren.”

Derwig: „En in die verbijstering zijn ze opeens weer even samen. Er zit zachtheid in dat moment, daar hecht ik aan.”

Dat is ook anders, en nieuw, in de visie van Erik Whien: de toeschouwer mag voelen dat er hoop is voor de twee. De strijd is gestreden, de illusie doorgeprikt. Dat kan het einde betekenen, maar ook het begin van iets nieuws – eerlijker, waarachtiger.

Kiezen voor een van de opties willen de acteurs niet. Kraakman: „Het lijkt me juist goed om het open te laten. Dat we ons elke avond opnieuw tot elkaar moeten verhouden; fris en oprecht. Dat we naar elkaar kijken en het echt niet weten, net als zij.”