‘Ik teken graag afgehakte hoofden’

Zaterdag ontvangt de tekenaar de Stripschapsprijs voor zijn oeuvre. „Ik teken om te vermaken.”

‘Te pretentieuze verhalen lees ik niet met plezier”, zegt striptekenaar Fred de Heij. „Zelf wil ik alleen maar strips maken die grappig zijn of spannend. Ik teken om te vermaken. Amusement. Dat is al een ingewikkelde ambitie.”

Zaterdag krijgt De Heij de Stripschapsprijs uitgereikt tijdens de Stripdagen in Gorinchem. Het is de belangrijkste oeuvreprijs voor een striptekenaar in Nederland. De jury roemt De Heij (1960) als een tekenaar „van internationale allure”.

Jarenlang werkte De Heij, die een opleiding volgde op de Rietveld Academie, als illustrator en tekenaar voor bladen als Donald Duck, Tina, Taptoe, Kuifje en Penthouse Comix. Zijn doorbraak naar een breder publiek kwam als tekenaar van de oorlogsstrip Haas voor het in 2010 heropgerichte stripblad Eppo, op scenario van Eppo-hoofdredacteur Rob van Bavel. In Haas worden de acties van een verzetsgroep in de Tweede Wereldoorlog gevolgd.

Voor De Heij is het geprezen Haas niet meer dan „een genrestrip”. „Het verhaal geeft geen getrouw beeld van de oorlog, zoals als je niet leert hoe het Wilde Westen was als je naar een film met John Wayne kijkt. Wat ik belangrijk vind, is dat de hoofdpersonen geen vlekkeloze helden zijn, maar rare lui, met vreemde redenen voor hun handelen. Hun grotere doel is Duitsers en NSB’ers doden. Daar hou ik wel van.”

Vorige week verscheen Peking, een gedegen gedocumenteerde historische strip in opdracht van en geschreven door het Nationaal Archief, over de periode in de Eerste Wereldoorlog dat het neutrale Nederland in China de belangen van Duitsland behartigde. De Heij is trots op de vermenging van tekeningen, originele foto’s en archiefstukken op de pagina’s. „Zoiets is nog nooit gedaan. Het is een mooie manier om de geschiedenis te vertellen.”

De Heij is de man achter Pulpman, een door zijn uitgeverij Xtra uitgebracht tijdschrift, waarin hij zijn liefde voor pulpgenres uitleeft. De reeksen die hij in dat blad opzet, schrijft en tekent, verschijnen ook in boekvorm, zoals het pornografische De biecht en het gewelddadige slasherverhaal De schuilplaats (beide uit 2012). „Ik hou van overdrijving, van over de top. Het mag niet saai worden. Ik teken wat ik leuk vind en deze strips maken me vrolijk. Dat is mijn belangrijkste motivatie.” Die liefde voor pulp koesterde hij al als middelbare scholier. „In mijn agenda’s tekende ik mensen met bijlen en afgehakte hoofden. Dat is niet veranderd.”

Volgens de jury heeft De Heij „door het tekenen van pulpstrips een vanzelfsprekende striptaal ontwikkeld”. Dat zijn pulpstrips hun beperkingen hebben, doordat ze geforceerd van de ene naar de andere seksscène of geweldsuitbarsting schakelen, deert hem niet. „Nou en?” reageert hij. „Ik zie het bezwaar niet. Ik zit gewoon te keten in mijn atelier.”

De Heij hanteert een realistische stijl. „Leesbaarheid en inleefbaarheid wegen het zwaarst voor mij. Ik probeer de personages zo goed mogelijk te laten acteren en de omgeving overtuigend weer te geven. Een tekening hoeft niet mooi te zijn. Als het verhaal maar zeggingskracht heeft.”

Als de emoties maar overkomen bij de lezer. „En meeleven kan ook als de lezer iemand een verschrikkelijke schoft vindt. Antipathie is ook een vorm van empathie. Eigenlijk zijn al mijn personages antipathiek. Ook die verzetmensen uit Haas.”

    • Ron Rijghard