Huurders mogen verliezen wooncorporatie niet dragen

Minister maakt terecht een eind aan cowboy-avonturen , meent Jos Feijtel.

In Den Haag woedt opnieuw een felle strijd tussen minister Stef Blok (Wonen, VVD) en de PvdA-fractie over de positie van corporaties. Ditmaal gaat het niet om de verhuurdersheffing, maar zorgt de vraag of corporaties ook duurdere huurwoningen mogen bouwen voor verdeeldheid. Blok wil dat in de nieuwe Herzieningswet aan banden leggen.

Aedes, de branchevereniging voor woningcorporaties, verwijt de minister dat hij eerder wel zou hebben ingestemd met de bouw van duurdere woningen. De PvdA-fractie vindt, bij monde van Jacques Monasch, dat de minister ,,moet leveren”. Hugo Priemus, emeritus hoogleraar volkshuisvesting, is eenzelfde mening toegedaan. Hij stelt dat Enneüs Heerma, de staatssecretaris die eind jaren tachtig de verzelfstandiging van de corporaties regelde, zich „in zijn graf zou omkeren”. Blok is „restrictiever” dan de Europese Commissie, zegt Priemus. Allemaal woorden die Bloks Herzieningswet in een kwaad daglicht moeten stellen.

Dat doet echter geen recht aan de werkelijkheid. De kerntaak van corporaties is zorgen voor betaalbare huurwoningen voor de lagere inkomensgroepen. Activiteiten die daarvan afwijken hebben volgens het Centraal Fonds Volkshuisvesting, de waakhond voor corporaties, de afgelopen jaren telkens geleid tot „honderden miljoenen verlies”.

Corporatiedirecteuren die zich lieten gelden als ‘marktontwikkelaars’, beweerden dat ze met de bouw van duurdere woningen winst maakten. Die winst zou dan gebruikt worden om sociale woningen goedkoper te maken. Nu blijkt dat precies het omgekeerde het geval was: het geld ging van de huurders van de goedkope woningen naar de tekorten op de dure woningen en andere prestigeprojecten.

Die schandvlek is nog lang niet weggewassen.

In zogeheten ‘verbindingen’ - vrijwel altijd samenwerkingsverbanden met marktpartijen - verloren corporaties in 2011 maar liefst 322 miljoen euro. Een aantal corporaties slaagde erin om wel wat winst te maken, maar per saldo moesten huurders dat jaar 236 miljoen bijdragen aan de cowboyavonturen van hun directeuren. Het leed is nog lang niet geleden: in die ‘verbindingen’ zit nog een gecumuleerd verlies van 1,3 miljard euro.

Noch Priemus noch mijn eigen PvdA rept daarover. Wordt het niet eens tijd dat ook zij die kant van de medaille belichten? Zo gek is het misschien niet als de politiek de corporaties nu dwingt zich bezig te houden met zaken die enkel in het belang van sociale huurders zijn. Het geeft geen pas om de lagere inkomensgroepen het ondernemingsrisico te laten dragen.

Aedes speelt het overigens slim. Zij raken een gevoelig punt als ze spreken over differentiatie in achterstands- of herstructureringswijken. In het belang van een gezonde mix is het soms gewenst om appartementen te slopen en te vervangen voor duurdere woningen. Commerciële partijen zullen dat echter niet snel doen: vanwege het negatieve imago van de buurt zijn woningen moeilijk te verkopen zonder verlies.

Corporaties zijn daar sneller toe geneigd. Zij kunnen die verliezen makkelijk afwentelen op de huurders. Maar juist die praktijk moeten we een halt toeroepen. Als we differentiatie in het ‘algemeen belang’ achten, dan dient dat ook uit de ‘algemene pot’ bekostigd te worden – en niet door de toevallige huurders die meegezogen worden in zo’n corporatieproject. De enige die de zwaarte van dat algemeen belang kan beoordelen, is de gemeenteraad. Om de politiek meer grip te laten krijgen op corporaties, zou de Herzieningswet allereerst de positie van sociale huurders moeten versterken: zorg dat ze nooit meer het ondernemersrisico dragen van roekeloze corporatiedirecteuren.

    • Jos Feijtel