Opinie

    • Arjen van Veelen

Het leger wil je

Oekraïne mobiliseerde dit weekend zijn reservisten tussen de 18 en 40 jaar. Een verslaggever van de Volkskrantsprak een 18-jarige geschiedenisstudent, die zich net had gemeld. „Ik hoop dat er geen oorlog komt”, zei hij, „maar natuurlijk ben ik bereid om te vechten.” Natuurlijk vecht ik voor mijn vaderland – zou een Nederlandse student ooit zoiets zeggen, behalve dan in de musical Soldaat van Oranje?

Terwijl Rusland De Krim binnenviel, zond BNN de realityshow De Langste Dag uit, waarin jongeren de landing in Normandië naspelen, maar dan zonder nazi’s. Een kandidaat: „Het leger is gewoon fakking vet... beetje actie!” Beetje actie, net als toen. Oorlog als paintball. Of nee, ook de horreur komt in beeld; deze aflevering was er bijvoorbeeld een jongen die niet zonder zijn potje gezichtscrème kon.

Ik wens mijn generatie met terugwerkende kracht twee jaar dienstplicht toe.

Intussen lijkt Nederland gefascineerd door liefst drie wereldoorlogen tegelijk. De Eerste, waarvan we het eeuwfeest heel neutraal meevieren; de Tweede, omdat we toen allemaal helden waren – never forget. En de Derde, omdat we toch wel een beetje geschrokken zijn van Poetin.

Ik hoop ook dat er geen oorlog komt, al zou die veel problemen oplossen (Europa eindelijk verenigd door een gezamenlijke vijand). Maar áls het ervan komt, zijn we er niet klaar voor. Ons leger is sinds de Koude Oorlog wegbezuinigd tot een soort carnavalsschutterij. Paradox: we zijn gefascineerd door oorlog, maar ons eigen leger is impopulair.

Dat komt, denk ik, omdat burgers en militairen elkaar te weinig ontmoeten. Ooit maakte ik voor een universiteitsblad een reportage over de Prins Bernhard Schiettrofee, een schietwedstrijd tussen studentenweerbaarheden, begeleid door militairen. Op de Harskamp knalden corpsballen erop los. Frans Timmermans, destijds PvdA-Kamerlid, stelde er Kamervragen over. Hij vond het geldverspilling en „soldaatje spelen”. Ja, maar inmiddels zijn samenleving en leger van elkaar vervreemd.

Wat te doen? Je hebt de groep Dienstplicht Koude Oorlog, die de dienstplicht nabootst met echte uniformen en voertuigen („slapen in de puptent en in de M58 slaapzak...”). Een verkleedpartij waar Poetin niet van schrikt. Het kan ook anders.

Vorig najaar zei Defensieminister Hennis dat ze reservisten vaker wil inzetten. Reservisten zijn parttime militairen, vaak met een baan ernaast. Flexmilitairen. Zzp-soldaten. Hennis’ plan werd een bezuinigingsmaatregel genoemd, maar het kan veel meer zijn dan dat, als werkgevers een beetje meewerken.

Gister sprak ik Jeroen Saat, gepromoveerd politicoloog, maar ook kapitein en werkzaam voor het nieuwe Reservistenbureau Defensie. De belangstelling om reservist te worden neemt toe, zei hij: jaarlijks ongeveer 5.000 geïnteresseerden, terwijl er plek is voor 500. In totaal zijn er nu zo’n 4.500 reservisten, waaronder 1.500 studenten (ideale bijbaan). Er moet meer plek komen. Reservisten kunnen gebouwen bewaken, zoals straks bij de Nuclear Summit in Den Haag. Maar je hebt ook Reservisten Specifieke Deskundigheid. Zoals accountants, ingenieurs, chirurgen, computerdeskundigen. Sommigen gingen zelfs naar Afghanistan of Mali.

Ik ben van 1980 en heb geen dienstplicht gehad. Ik ben nooit ‘man geworden’, en heb daar ook niet zo’n behoefte aan. Waarom een jaar vergooien met tijgeren? Maar ik wil best het land dienen als Reservist Specifieke Deskundigheid. Maak dat desnoods verplicht.

    • Arjen van Veelen