Column

Hé, het IMF wordt steeds progressiever

Ze stonden er met tienduizenden, rond de eeuwwisseling. Vergaderingen van het Internationale Monetaire Fonds waren, samen met die van de G7 en wereldhandelsorganisatie WTO, magneten voor antiglobaliseringsdemonstranten, die er massale veldslagen voerden met de autoriteiten. Rechts, kapitalistisch, ultraliberaal, zo werd het IMF gezien.

Het zal diezelfde demonstranten een jaar of twaalf later verbazen welke standpunten het IMF nu inneemt. Eerst was er de vroege bekering tot wat ‘Keynesianisme’ wordt genoemd. Met name het onderzoek dat IMF-chefeconoom Olivier Blanchard in het najaar van 2012 in Tokyo publiceerde baarde opzien. De zogenoemde ‘begrotingsmultipliers’ waren volgens Blanchard veel groter dan gedacht. Dat betekent dat een schommeling in de begroting van een land veel grotere gevolgen heeft voor de economie dan gedacht. En dus zou bezuinigen in tijden van crisis de economische groei onnodig drukken. Niet doen dus.

Dat kwam het IMF en Blanchard op fikse kritiek te staan, met name uit de noordelijke eurozone waar bezuinigen juist als hét recept werd gezien. Nu de economische groei fors aantrekt en het begrotingstekort van Nederland volgens het CPB boven verwachting slinkt, halen die bezuinigers hun gelijk. Maar geheel objectief is dat niet: het scenario waarin juist gestimuleerd werd, is nooit uitgevoerd. Er zullen ongetwijfeld academische exercities komen waarin dit pad met terugwerkende kracht wél wordt bewandeld, maar het dispuut zal nimmer echt worden beslecht.

De discussie over bezuinigen versus stimuleren wordt allang weggedrukt door het nieuwe debat, dat gaat over inkomensongelijkheid. En ook hier betrekt het IMF een stelling die de demonstranten twaalf jaar geleden nooit hadden kunnen vermoeden. Recentelijk publiceerde het fonds een opmerkelijke ‘staff discussion note met de titel Redistribution, Inequality and Growth. Zoals altijd weerspiegelt het rapport niet noodzakelijkerwijs de visie van het IMF. Maar dat voorbehoud is hier niet veel waard: de belangrijkste auteur is Jonathan Ostry, de tweede man van de economische afdeling en het rapport is geautoriseerd door Olivier Blanchard zelf.

Ostry en de zijnen nemen het op tegen de gedachte dat meer inkomensgelijkheid slecht is voor de economische groei. Te veel prikkels en ondernemingszin zouden wegvallen door grotere gelijkheid, waardoor de economische ontwikkeling suboptimaal wordt.

Het tegendeel blijkt het geval. Uit het breed opgezette onderzoek blijkt dat landen waar de inkomensongelijkheid lager is, juist meer economische groei vertonen. Door data over de spreiding van bruto- en netto-inkomens te vergelijken, schatten de economen de mate waarin in elk land het inkomen wordt herverdeeld via bijvoorbeeld een progressief belastingsysteem. Deze herverdeling blijkt, behalve in extreme gevallen, geen negatief effect te hebben op de groei. Sterker nog: doordat herverdeling op termijn de ongelijkheid vermindert, heeft die kleinere ongelijkheid zelf weer een positief effect op de groei.

Misschien dat we in Nederland deze denkwijze gewend zijn, maar voor een flink deel van de industriële wereld (met name de Verenigde Staten) zijn dit opmerkelijke bevindingen zijn – die niet zonder weerwoord zullen blijven.

De nieuwe discussie, die over ongelijkheid, krijgt meer aandacht. Ook in Nederland. Tegen de zomer komt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid met een bundel artikelen over ongelijkheid. Aanbevelingen aan het kabinet zullen daarin niet staan, maar voer voor debat des te meer. Reken er daarvóór al op dat inkomensongelijkheid op de agenda kruipt van de voorjaarsvergadering van het IMF, begin april. Dat zal hier op de voet worden gevolgd.