De wereld volgens Jeff Wall

De Canadese kunstenaar Jeff Wall herschept de werkelijkheid alsof hij God is. Alles op zijn foto’s in het Stedelijk Museum heeft een bedoeling. Of niet?

Jeff Wall wordt altijd omschreven als de denker, de filosoof onder de fotograferende kunstenaars. Een soort God ook. Dat komt niet alleen omdat hij als kunsthistoricus is afgestudeerd (aan het prestigieuze Courtauld Institute in Londen), maar vooral door zijn werkwijze. Wall (67) maakt namelijk nooit ‘zomaar’ een foto. Zijn uitgangspunt is bijna altijd een gebeurtenis die hij ooit heeft waargenomen (vier mensen die met koffers en rugzakken door een kaal betonnen landschap lopen, een man die de ramen van Mies van der Rohes Barcelona-paviljoen zeemt), maar waar hij op dat moment geen foto van nam. Pas als zo’n tafereel in zijn hoofd blijft hangen, lang genoeg om hem zelf te prikkelen, besluit Wall tot een ‘re-make’.

Dat doet hij niet zomaar, terloops, maar zo realistisch en perfect als hij maar kan. Wall bouwt hele filmsets om één foto te maken: hij zoekt modellen, huurt decorbouwers en belichters en zet digitale technieken in om die ene gebeurtenis, dat ene beeld zo betekenisvol mogelijk te reconstrueren – en dan drukt hij af. Daarmee wordt het natuurlijk spannend: aan de ene kant vertegenwoordigt zo’n foto de werkelijkheid die Wall ooit waarnam, aan de andere kant is er dit keer over elke lichtstraal, elke lichaamshouding, elke bladbeweging nagedacht. Zo krijgt een Wall-beeld een veel grotere intensiteit dan een alledaags kiekje – en als toeschouwer besef je heel goed dat er op deze foto’s niets meer toevallig is of terloops. Alles heeft een bedoeling. Of niet?

Het gevolg van Walls werkwijze is dat je als toeschouwer op de grote Stedelijk-tentoonstelling al snel rondloopt als een gelovige die met licht-existentiële wanhoop Gods schepping probeert te duiden. Zelden kwam ik op een opening zoveel mensen tegen die verzuchtten dat ze het werk geweldig vonden, maar dat ze er ook doodmoe van werden. Waar moet ik naar kijken? Waar zit de, kunsthistorische, sociale, compositorische angel? Hoe alledaagser Walls taferelen eruitzien, hoe meer je je gaat afvragen hoe hij op het idee kwam, wat zijn bedoeling is en waar je naar moet kijken – en dat wordt door zijn kunsthistorische achtergrond alleen maar erger.

Gammele schuur

Neem een foto als Knife throw (2008). Daarop zien we het interieur van een oude, gammele schuur met vuilroze wanden waarin twee Latijns-Amerikaans uitziende mannen messen werpen op een geïmproviseerde muurcirkel – een mes hangt midden in de lucht. Vanaf de zijkant kijken twee mensen toe. Het is sowieso een wonderlijk tafereel (waarom deze mannen, waarom die schuur?). Maar als je beseft dat Wall de volledige vrijheid heeft om het beeld naar zijn hand te zetten, ga je je vooral afvragen waarom hij er nu net voor koos het vliegende mes in die bewuste positie vast te leggen. Was eenhonderdste seconde eerder of later niet beter? Waarom zet hij dit vliegende mes stil? Of verwijst Wall daarmee soms naar de beroemde paradox van Zeno van Elea (circa 490-430 v Chr.) over stilstand en beweging?

Die paradox, voor de liefhebbers, stelt het volgende: een pijl die in beweging is neemt op ieder nieuw moment een nieuwe plaats in de ruimte in. Als we naar de pijl kijken op zo’n ondeelbaar moment (bijvoorbeeld het moment dat een foto wordt genomen) bevindt hij zich op een vaste plaats. Maar als de pijl, zo redeneert Zeno, zich telkens opnieuw op een vaste plaats bevindt, hoe kan hij dan bewegen? Het is een paradox waar filosofen eeuwen hun hoofd over hebben gebroken en wie Walls oeuvre bekijkt kan zich heel goed voorstellen dat hij hiernaar heeft willen verwijzen – de spanning tussen stilstand en beweging, Cartier-Bressons ‘decisive moment’, noem maar op, het komt allemaal vaker terug. Maar wat schiet je op met zo’n vergelijking? Is het niet gewoon een lekkere foto van twee verveelde latino’s?

Het intrigerende is: hoe langer je kijkt naar Walls werk, hoe meer je beseft dat voor hem vermoedelijk niet de inhoud van de interpretatie doorslaggevend is, maar de manier waarop hij jou als toeschouwer weet te verleiden tot kijken, zoeken, interpreteren in het algemeen. Wall mag dan gretig blijven suggereren dat zijn foto’s net de werkelijkheid zijn (en laten we eerlijk zijn, hoe ‘realistischer’ ze lijken, hoe beter ze zijn), het ware onderwerp van zijn werk is de pijl die je het pad van interpretatie op stuurt – welke pijl en welk pad dan ook.

Niet voor niets spreekt Wall vaak zijn liefde uit voor film en worden zijn foto’s vaak beschouwd als filmstills: zijn werk is in veel opzichten een oefening in suggestie, studies naar de manier waarop een kunstenaar de kijker kan verleiden de stilstaande pijl in zijn hoofd verder te laten vliegen. Op het moment dat je dat doorhebt, wordt Walls werk vooral een oefening in intensiteit – maar daarbij moet je als toeschouwer niet vergeten dat je zelf de macht hebt.

Vaak merk je dat kijkers naar Walls werk zich door de hoge informatiedichtheid geïntimideerd voelen, dat ze het gevoel krijgen ‘alles’ eruit te moeten halen. Dat lijkt me een misverstand: juist omdat Walls foto’s zo’n eigen, overvolle wereld laten zien (waar hij zelf jaren aan kan werken), zeggen de ideeën die je eruit haalt vooral veel over jezelf. Zoals maar heel weinig mensen alle secties lezen uit de krant, zo kun je bij Wall ook op zoek gaan naar je eigen preoccupaties in zijn rijke, volle wereld. Niet vanuit een verplichting, maar vanuit vrijheid. Soms zie je dan heel veel. Soms zie je een kiekje.

Tegelijk moet het wel voor (bijna) iedereen fascinerend zijn om te kijken hoe Wall die pijl-van-suggestie in beweging brengt – wat mij betreft zijn zijn beste foto’s die waarin zo veel mogelijk angels verborgen zitten, terwijl je toch blijft geloven dat het echt is gebeurd. Soms is de aanzet filosofisch, zoals bij Knife throw, maar de angel kan ook gaan over abstractie en decoratie.

Neem Morning Cleaning (1999), waarop we een schoonmaker zien die de glazen wanden van het Barcelona-paviljoen zeemt, waarbij het tijdelijke zeeppatroon een prachtig contrast vormt met het eeuwige, zwaar geaderde Van der Rohe-marmer. Of neem het ongemakkelijke Boxing (2011) waarop twee Midden-Amerikaans uitziende jongens staan te boksen in een chique, witte kamer, met nieuwe-zakelijkheidsvaasjes op de plank en een Josef Alberts-prent aan de muur. Hier is de angel, de aanzet, vast een sociaal vooroordeel: kunst en modernisme gaan niet samen met donkere jongens en de bokssport – en daar ga je al.

Finding Nemo

Heel mooi is ook Boy falls from tree (2010), waarop we een jongen zien vallen uit een boom in een weelderige, rijke tuin. Niet alleen verwijst hij vast naar allerlei ‘vallers’ uit de kunstgeschiedenis (variërend van Bas Jan Ader tot Yves Klein), Wall stopt er ook prachtige details in die je kijken verder stimuleren. Neem die rare, lichtblauwe bal links achterin de bosjes. Is dat nou een wereldbol (en valt de jongen eigenlijk van de aarde)? Of is het een bal met de vissen uit Finding Nemo erop – en wat zou Wall dáár dan in vredesnaam mee bedoelen?

Die foto trouwens, doet meteen ook denken aan de mate waarin Wall zo’n val kan beheersen en de rol van toeval in zijn werk. Want regelmatig, zowel bij pijlen als bij vallen, als bij de foto’s waarop beesten een rol spelen (zoals op The Flooded Grave (1998-2000) waarop een groot aantal vogels een begraafplaats bevolkt), laat Wall heel nadrukkelijk zien dat ook hij de werkelijkheid maar tot op zekere hoogte beheerst. Inderdaad: net als de toeschouwer.

Misschien is het wel om die reden dat een van mijn eigen favorieten op de tentoonstelling A view from an appartment (2004-2005) is. Op het eerste gezicht is het een foto van een rommelig appartement: een vrouw hangt onderuitgezakt op een bank, overal liggen tijdschriften, een andere vrouw heeft een stofdoek in haar hand, de wasmand staat klaar – echter en alledaagser kan het niet. Door het raam echter, dat uitkijkt op het water, zien we een prachtig, weids tafereel: in de verte ligt de skyline van een stad, grote boten varen voorbij en het landschap als geheel is een complex maar intrigerend lijnenspel dat onmiskenbaar door mensenhanden is gemaakt.

De crux ligt voor de hand: dit landschap, het uitzicht, hangt bij deze vrouwen als een kunstwerk in de kamer, maar ze hebben er geen aandacht (meer) voor. En dat is precies waar het Wall om gaat: telkens opnieuw, in elk werk, wijst hij zijn toeschouwers erop dat het de moeite loont goed te kijken, te zoeken, te interpreteren. Niet alleen wordt je wereld dan groter, je leert ook over je eigen liefdes, je eigen voorkeuren – en over jezelf. Precies wat Wall ook doet. En kijk eens waartoe het heeft geleid.