De bovenbuik

Juist omdat je het woord niet meer zo vaak hoort, viel op dat Paul Witteman het onlangs in Buitenhof weer eens liet vallen: de ‘onderbuikgevoelens’. De beeldspraak wil dat de rede in het hoofd zetelt en de emoties in het hart huizen, maar voor bepáálde gevoelens is een dependance ingericht, een halve meter lager, vlak bij de uitgang. De onderbuik. In de jaren zeventig, tachtig en negentig was het dé term waarmee weldenkende mensen zich distantieerden van ‘verkeerde’ opvattingen. Hier komen wij al direct in semantische problemen, want wat is eigenlijk een ‘opvatting’? Zou een ‘opvatting’ een onderbuikgevoel kunnen zijn dat we geen onderbuikgevoel noemen? Vrijheid, gelijkheid en broederschap, zijn dat onderbuikgevoelens?

Witteman had het over de burgers die te hoop liepen tegen de vestiging van een veroordeelde pedoseksueel in hun wijk/stad/land/werelddeel. Hij bedoelde misschien dat dit burgerprotest ontsierd werd door de bemoeienis van beroepshooligans, maar wat hij zei was: de angst voor een pedoseksueel in je wijk is een verderfelijke emotie. Een emotioneel excrement, waar beschaafde mensen misschien ook af en toe last van hebben, maar dan ontdoen zij zich daar discreet van, in de beslotenheid van het watercloset. Niet in het openbaar en al helemaal niet voor een televisiecamera.

Links en emoties, het blijft tobben.

Vraag tien linkse politici naar de beste politieke rede ooit en ‘I have a dream’ van Martin Luther King wordt zeven of acht keer genoemd. Vraag vervolgens welke informatie die speech eigenlijk bevatte en het blijft stil. Het antwoord: vrijwel geen. King riep niet voor niets ‘I have a dream’, in plaats van ‘I have a report’.

Daarom begreep ik de ‘Haagse Invloeden’ van Tom-Jan Meeus van twee weken geleden niet helemaal. Meeus blikt terug op de zaak Plasterk, de motie van wantrouwen die D66 indiende en Diederik Samsoms ‘woede’ daarover. ‘Ooit was kennis macht, nu is emotie macht’ stelt Meeus. Hij wijst op Fortuyn – die naar mijn gevoel eerder pissig was dan woedend, maar dit terzijde – op Wilders, die de woede inderdaad tot zijn handelsmerk maakte, en op het letterlijk tranentrekkende CDA-congres van 2010, toen besloten moest worden over samenwerking met de PVV. Volgens Meeus zette het CDA toen al snotterend ‘haar honderdjarige bestuurstraditie overboord’. Ook de PvdA gelooft niet meer in politiek op rationele grondslag, stelt Meeus. Hij citeert Kamerlid Mei Li Vos in haar boek Politiek voor de leek: ‘Politiek gaat over identiteit, angsten en hoop. Als je denkt dat je kunt winnen met feiten, ben je naïef of een backbencher.’

‘Zelfs in de sociaal-democratie, als idee toch gebaseerd op een puur rationele maatschappijanalyse, geven mensen nu toe aan emotie als politieke stijlfiguur,’ stelt Meeus. Zélfs in de sociaal-democratie? Marx was een rationalist, zeker, maar kreeg het socialisme miljoenen op de been met feiten en cijfers?

De taxonomie van de primaire emoties is wetenschappelijk nog een rommeltje, maar twee vind je er op alle lijstjes: angst en begeerte. Wat is socialisme anders dan georganiseerde begeerte? Organiseer de angst en je krijgt conservatisme. Politiek ís emotie.

Gooide het CDA op dat emotionele congres van 2010 ‘een honderdjarige bestuurstraditie’ overboord? Nee, er werd een conflict tussen angst en begeerte beslecht. Wie daar statistieken bij nodig heeft, is de weg kwijt.

Dat is wat veel moderne politici miskennen, en Meeus met hen: het onderscheid tussen politiek en beleid. Tussen brug en machinekamer. Zie het idioom. Nederlandse politici willen ‘aan de knoppen zitten’. Het zijn grease monkeys die in het geraas van de machinekamer van krukas naar klepstoter gaan. Draaitje hier, tikje daar. Over het roer en de koers hoor je ze zelden. Monteurs moeten wakker blijven, dat is zo, maar als er niemand droomt, de bestemming bepaalt en de koers uitzet, doolt het schip maar wat rond. Niet feiten en cijfers zijn het antwoord op het populisme, maar betere gevoelens. Bovenbuikgevoelens?

    • Jan Kuitenbrouwer