Verder niets aan de hand in zonnig Sebastopol

Oekraiënse legerbases op de Krim zijn omsingeld Vrijwilligers melden zich voor het pro-Russische ‘Volksregiment’ In het door Russen gestichte Sebastopol gaat het leven ondertussen door

Voor de poort van de Oekraïense zeestrijdkrachten in Sebastopol op de Krim staan verontruste burgers. Ze staan er onder aanvoering van de pro-Russische politica Olga Timofejeva. Een kozak zwaait met de vlag met daarop de laatste Russische tsaar, Nicolaas II. Achter het volk, niet meer dan een man of honderd, staan gemaskerde en gewapende mannen in militair uniform.

Oekraïense zelfverdediging? Russen? De demonstranten zeggen geen idee te hebben, want de militairen dragen geen insignes. Vragen stellen aan de duistere gedaanten met hun zwarte bivakmutsen is niet toegestaan.

Ze staan daar, zegt Timofejeva, omdat een door de „junta” in Kiev benoemde „bedrieger”, die Gaidoek schijnt te heten, vannacht „de legerbasis is binnengedrongen” om leiding te gaan geven aan de Oekraïense militairen die inmiddels totaal niet meer weten waar ze aan toe zijn. Deze indringer moet er volgens Timofejeva van weerhouden worden dat hij de Oekraïense troepen gewapenderhand naar buiten stuurt om „de vrije wilsbeschikking” van de Krimbevolking te dwarsbomen.

Timofejeva weet ook nog te melden dat het oorlogsschip Hetman Sagajdajtsjny van de Oekraïense vloot zijn strijd met de piraterij in de Indische Oceaan heeft afgebroken en opstoomt naar de Krim. Ze weet niet wat dat nu weer te betekenen heeft.

De vlootbasis in Sebastopol is niet de enige die is omsingeld. Ook elders zijn Oekraïense bases door onbekende militairen afgegrendeld, zoals in de kustplaats Kertsj, in de oude hoofdstad Bachtsjisaraj, in Perevalnoje en bij de baai van Balaklava.

Tataren weggehoond

Tataarse vrouwen uit Bachtsjisaraj wilden ‘hun’ omsingelde Oekraïense jongens maandag sinaasappels, macaroni, grutten en appels brengen, maar ze werden weggehoond.

De Krim-Tataren zijn de oorspronkelijke bewoners van de Krim en anti-Russisch. Ze werden destijds door Stalin gedeporteerd naar Centraal-Azië, omdat ze in de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers zouden hebben gecollaboreerd. Pas eind jaren tachtig keerden veel Tataren naar de Krim terug.

De eind vorige week door het volk benoemde premier Sergej Aksjonov heeft de Oekraïense militairen gewaarschuwd: ze moeten zich onderwerpen aan de Krim-regering. Er gaan steeds weer geruchten dat Moskou ultimata stelt en de bases dreigt te bestormen. Vooralsnog zijn het canards, of ‘provocaties’ , zoals men hier zegt.

Sebastopol is een Russische stad. Gesticht door vorst Potjomkin (1739-1791), de minnaar van tsarina Catherina de Grote, is dit altijd de basis geweest van de Russische vloot. De stad die regelmatig is verwoest, ademt nu de sfeer van witte stalinistische neogothiek. Statige gebouwen als het Huis der Officieren en het Vlootmuseum tonen het militaire karakter van de stad, die voor driekwart wordt bewoond door Russen. Keer op keer valt te horen dat het een schande is dat de dronken president Jeltsin in 1991 bij de opheffing van de Sovjet-Unie verzuimd heeft de Krim terug te pakken van Oekraïne, dat het in 1954 van partijleider Chroesjtsjov cadeau kreeg.

In de rest van Sebastopol is het verder doodkalm. De militairen zijn uit de stad teruggetrokken, de zon schijnt op de Zwarte Zee en de mensen flaneren over de kade. De eerste souvenirwinkeltjes openen hun deuren. Het is hetzelfde beeld als in de Krim-hoofdstad Simferopol, waar vrijwilligers bij het parlement en de ministerraad post hebben gevat.

Vrijwilligers patrouilleren

Daar was eerder op de dag te zien hoe ataman (hoofdman) Sjachvorostov (53) zijn vrijwilligerstroepen heen en weer dirigeerde. Aan de Dolgoroekistraat konden mensen zich opgeven om te patrouilleren. Op het briefje aan de deur staat: registratie van vrijwilligers van het Volksregiment van de Krim van de partij Russische Eenheid van premier Aksojonov. Smid Oleg Krivoroetsjenko meldde dat twee van zijn pelotons gisterochtend naar de legerbasis Perevalnoje gestuurd zijn om de militairen van het Oekraïense leger binnen de poorten te houden. Hij heeft ze een legerkeuken meegegeven.

Bij het Admiraal Nachimovplein in Sevastopol is ook zo’n legerkeuken ingericht, die zo uit het Militair Museum lijkt te zijn weggehaald. Ook hier lijkt het op de Maidan in Kiev waar tot voor kort de groene keukentanks op wielen, gestookt op hout, de demonstranten van gratis voedsel voorzagen. Hier oogt de gaarkeuken volstrekt misplaatst. De eigenaar staat erbij te glimmen en deelt gratis gortenpap uit. De belangstelling is gering, men neemt liever een ijsje.

Iets verderop bij het Huis van Moskou, een culturele instelling, hangt een briefje met de mededeling dat burgers bij het consulaat in Simferopol Russische paspoorten kunnen aanvragen. Dmitri, een gepensioneerde zeeman, gaat er zeker gebruik van maken. Al 23 jaar, sinds de Sovjet-Unie uiteen viel en Oekraïne onafhankelijk werd, worden de Russen op de Krim al gekoeioneerd, zegt hij. Nu grijpt hij zijn kans.

Een groepje mannen komt uitleggen dat de westerse pers geen knip voor de neus waard is. Iedereen weet toch dat de Amerikanen hier achter zitten? Dank, Rusland, dat je daar een stokje voor hebt gestoken. Veel mensen lopen met lintjes van de Russische vlag en de Georgi-vlag, herinnering aan de Russische heldendaden tijdens de Grote Vaderlandse Oorlog (WO II). „We vechten hier immers met West-Oekraïense fascisten.”

Angst voor baan of agressie

Lang niet iedereen denkt er zo over. In de bus van Simferopol naar Sebastopol zat Oekraïner Nikolaj. „Veel Oekraïners zijn tegen het optreden van het Russische leger, maar ze houden hun mond uit angst voor hun baan of voor agressie. Janoekovitsj was een dief en een kloon van Poetin. Wij willen niet met Rusland in zee. Dat is een stap terug. We kennen de Sovjet-Unie. Wij willen vooruit, naar Europa. Wij willen orde en werk.” Terug in Simferopol, roept Anna, de Russische eigenaresse van een pensionnetje ’s avonds, verzonken in internet, opeens: „Yes, in Moskou zijn 20.000 mensen de straat op gegaan tegen de agressie van Poetin! Hoera!”

    • Laura Starink