Van pure bouwkunst naar badkuip

Bernard Hulsman bespreekt

architectuurontwerpen die op

elkaar lijken. Deze keer een ‘rare’ kubus en onbedoelde badkuip.

Twee vragen borrelden op toen in 2004 het ontwerp voor de uitbreiding van het Stedelijk Museum in Amsterdam bekend werd. Waarom moest de aanbouw van het oude bakstenen museum een stralend witte badkuip worden? En waarom waren het uitgerekend Benthem Crouwel Architecten die het gladde ding hadden ontworpen? Jan Benthem en Mels Crouwel stonden immers bekend als ontwerpers van degelijke, keurige architectuur, zoals de uitbreidingen van de luchthaven Schiphol. Misschien waren ze het in begin van de 21ste eeuw niet meer zulke strenge functionalisten als in hun begintijd, toen ze beweerden dat wat goed functioneert vanzelf ook mooi is. Maar, zo wist iedere opdrachtgever, als je een opvallend gebouw wilde, moest je niet Benthem en Crouwel in de arm nemen.

Hun uitbreiding van het Stedelijk was daarom een grote verrassing. „Ik kan me niet herinneren dat ik een gebouw heb gezien dat er belachelijker uitziet dan het nieuwe Stedelijke Museum”, zo begon bijvoorbeeld Michael Kimmelman, de architectuurcriticus van de New York Times, zijn bespreking van het in 2012 voltooide gebouw.

Grappig genoeg hebben Benthem en Crouwel hun ontwerp nooit als badkuip bedoeld. Als architecten met een grondige afkeer van postmoderne fratsen hadden ze in hun carrière nooit gebouwen ontworpen die lijken op koffiepotten of vliegende schotels. Net als eerder Meyer en Van Schooten – wier hoofdkantoor van de ING onmiddellijk de bijnaam ‘kruimeldief’ kreeg – dachten ze pure bouwkunst te hebben gemaakt.

Maar als het nieuwe Stedelijk niet als badkuip is bedoeld, waar hebben de architecten de opvallende vorm dan wel vandaan? Een functionele rechtvaardiging voor bijvoorbeeld de opvallend brede luifel aan de bovenkant van het gebouw is er niet. Die zit veel te hoog om te dienen als zonwering en houdt ook niet veel van de meestal schuin vallende regen tegen. De luifel is niets anders dan een ornament.

Toch komt de badkuip met zijn brede rand vermoedelijk niet louter voort uit de verbeelding van Benthem en Crouwel. Al in 1990 ontwierp de architect/kunstenaar John Körmeling een museum voor ‘nieuwe beelden’ dat sprekend lijkt op de badkuip. Niet alleen is Körmelings museum ook een bijna geheel dicht gebouw met een ver uitkragende bovenkant, ook keerde het huisje aan de bovenzijde van zijn museum in de badkuip terug als de glazen kantoorverdieping bovenop.

Körmelings museum is nooit gebouwd, maar staat wel in A Good Book (2000), een overzicht van zijn werk. Crouwel staat bekend als een liefhebber van Körmeling. Als rijksbouwmeester droeg hij hem zelfs voor als ontwerper van het Nederlands paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Shanghai.

Körmelings museum als inspiratiebron voor de uitbreiding van het Stedelijk verklaart ook waarom Benthem en Crouwel werden verrast door de bijnaam die het gebouw kreeg. Doordat het meer de vorm van een kubus heeft, is Körmelings museum gewoon een raar gebouw. Maar door het te verlengen, zoals Benthem en Crouwel deden, veranderde het ongemerkt in een badkuip.