Pathé ooit groter dan Hollywood

Toen het Franse bedrijf in 1907 het lumineuze idee kreeg films niet te verkopen maar te verhuren, bleek dat het ei van Columbus.

Het beeldmerk met het haantje is altijd gebleven. Er zit dus continuïteit in het Franse bedrijf Pathé van nu – dat bijvoorbeeld in Nederland 22 geavanceerde filmtheaters exploiteert – en de onderneming van wijnhandelaar en café-exploitant Charles Pathé die in 1894 een Edison-fonograaf kocht. Daarmee konden de bezoekers van jaarmarkten en kermissen tegen een kleine vergoeding luisteren naar opgenomen muziek. Pathé – tegenwoordig bijna uitsluitend op film gericht – gaat nog altijd over de hardware in de amusementswereld: stenen, projectoren, stoelen. Dat is nog eens wat anders dan de mediaondernemingen van nu, die met twintig werknemers en één softwareplatform miljarden waard zijn.

Op de aankoop van die fonograaf in 1894 volgde al spoedig die van een andere uitvinding van Thomas Edison, de kinetoscoop, waarmee steeds één persoon tegelijk een filmpje kon zien. Maar toch blijft film voor het beginnende Pathé nog vele jaren bijzaak. Hoofdactiviteit in deze eerste jaren is de verkoop van de fonograaf, als luxeartikel voor de rijken.

Er is in Frankrijk veel kapitaal op zoek naar visionaire plannen, zodat Pathé in 1897 opgaat in een groter geheel, La Compagnie Générale des Cinématographes, Phonographes et Pellicules. Tot de groep behoren ook fabrieken – de grootste in de Parijse voorstad Vincennes. Pathé is in het begin vooral een bedrijf waar apparaten gemaakt worden, zo lezen we in het pas verschenen Pathé, à la conquête du cinéma, 1896-1929, een wat dor uitgevallen bedrijfsgeschiedenis van Stéphanie Salmon.

Alleen: wie koopt er nou een fonograaf als er nauwelijks iets is om naar te luisteren? Al in 1898 neemt Pathé daarom zelf de productie ter hand van wat we nu ‘content’ zouden noemen. Na een jaar telt de geluidscatalogus drieduizend titels – waaronder relatief veel opera-aria’s. Maar ook wordt er repertoire in andere talen dan het Frans aangeboden: in het Turks, Nederlands, Georgisch, Duits. Pathé mikt vanaf het prille begin op de internationale markt en gebruikt de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs om zich internationaal te profileren als innovatief bedrijf.

Vertegenwoordigers van Pathé zwermen over de hele wereld uit om de fonografen aan de man te brengen en om overal Pathé-winkels te openen. Tussen de bedrijven door maken ze ook nog eens geluidsopnamen om de omvangrijke catalogus te verrijken. Het zal nog tot 1900 duren voordat het Spaanse patent wordt gekocht om op wasrollen vastgelegd geluid te kopiëren. Tot die tijd moet een zanger voor de productie van veertig cilinders dus veertig keer dezelfde aria zingen.

Maar de technische ontwikkeling gaat razendsnel en Pathé bevindt zich consequent in de voorhoede. De kwaliteit van de wasrollen verbetert snel, waardoor ze niet slechts een paar keer – zoals in het begin – maar zo’n honderd maal afgespeeld kunnen worden. Rond 1910 pas worden de cilinders verdrongen door platte platen.

Binnen tien jaar na de oprichting is Pathé de eerste multinational op het gebied van de amusementsindustrie. Er is geen hoofdstad in de beschaafde wereld te vinden waar niet op een prestigieuze plek een Pathé-winkel is gevestigd. In steden als Londen, New York en Berlijn worden ook werkmaatschappijen gevestigd die over eigen productiefaciliteiten beschikken. In de ‘luistersalons’ van Pathé kan de klant naar muziek luisteren en een eigen fonograaf kopen. Filmapparatuur is tot circa 1910 veel minder geschikt voor de huiselijke kring: te duur, en door de toepassing van hoogst ontvlambare nitraatfilm ook gevaarlijk.

Film blijft dus voornamelijk een zaak van openbare vertoningen. In 1901 besluit Pathé om ook hiervoor ‘content’ te gaan produceren, al was het maar om opkomende concurrenten in Frankrijk en de Verenigde Staten de wind uit de zeilen te nemen. Ook bij film staat de techniek niet stil: de snelle ontwikkeling van elektrische toepassingen maakt het vanaf 1903 mogelijk om filmopnamen te maken in een studio nabij de Pathé-fabriek in Vincennes, zodat men niet meer afhankelijk is van het weer. In 1904 staan er 132 titels in de filmcatalogus, in 1906 zijn het er al 236. In 1907 opent Pathé een tweede filmstudio in Bound Brook, in de buurt van New York.

Maar de filmmarkt blijft heel anders van structuur dan die van het geluid. Film is duur en mede daarom worden de door Pathé verkochte films op grote schaal illegaal gekopieerd. In 1907 heeft Pathé een briljant idee: films worden niet langer verkocht aan vertoners, maar verhuurd, waarbij Pathé met de vertoner een contract sluit over afdracht van een percentage van de recette. Dit blijkt het ei van Columbus – Pathé maakt als wereldspeler in het bioscoopwezen een ongekende bloei door – met eigen theaters, en tijdelijke vertoningsrechten voor andere vertoners. Dit businessmodel is tot op de huidige dag in de hele wereld gangbaar bij de distributie van films.

Aan de bloei van Pathé komt abrupt een einde in 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In de jaren daarvoor heeft het bedrijf al last van toenemend nationalisme bij publiek en vertoners: de zwijgende film kende geen taalbarrières, maar het publiek vraagt in toenemende mate om cultureel ‘eigen’ product. De tijd waarin de Franse catalogus moeiteloos in de VS of Duitsland kon worden geëxploiteerd, en andersom, is voorbij.

Wanneer de oorlog eenmaal is begonnen, raakt het imperium van filialen en werkmaatschappijen in het ongerede: onderdelen in ‘vijandige’ landen worden vaak onteigend, grensoverschrijdende kapitaaltransfers en fysiek transport van filmkopieën worden lastiger. Om Pathé er weer bovenop te helpen, ontdoet het bedrijf zich na 1918 van de afdelingen geluid en productie van apparaten, om zich op filmvertoning en filmproductie te concentreren. Ondanks ontelbare herstructureringen en verkopen sindsdien is dat nog steeds hoe we Pathé kennen. Een wereldomspannend mediabedrijf hoeft dus niet per se Amerikaans te zijn.

    • Raymond van den Boogaard