Oké, kom maar op, wat doe jij op een thuiswerkdag?

‘Iedereen weet dat thuiswerken het grootste bedrog ever is’, schreef columnist Japke-d. Bouma vorige week // Daar kwamen veel reacties op // De voors en tegens komen in deze fictieve vergadering aan bod

Op een kantoor, in een vergaderzaaltje.

De interim-manager: „Ik stel voor dat we over twee weken weer bij elkaar komen. En laten we nu meteen voor de komende maanden een vaste dag en tijd prikken, zodat we niet wéér eindeloos op zoek moeten naar een moment waarop we allemaal kunnen. Wat dachten jullie van morgen over twee weken, acht uur ’s ochtends? Dan zijn we allemaal nog lekker fris.”

De facility-manager: „Sorry, donderdag is mijn thuiswerkdag.”

De interim-manager: „Thuiswerkdag?”

De facility-manager: „Ja, dan mag ik thuiswerken, heb ik al jaren geleden afgesproken met m’n voor-vorige baas.”

De interim-manager: „Dan mág je thuiswerken?”

De facility-manager: „Ja, ja, ‘het nieuwe werken’, niewaar?!”

De interim-manager: „Maar dat je thuis mág werken, wil toch niet zeggen dat je thuis móét werken?”

De facility-manager: „Ben je tegen thuiswerken soms?”

De interim-manager: „Ik ben nergens voor of tegen. Ik stel een vraag.”

De facility-manager: „Nou, donderdag is dus mijn thuiswerkdag.”

De interim-manager: „Dat vroeg ik niet. Ik vroeg: als je thuis mág werken, móét je dan ook thuis zijn op die dag?”

De facility-manager: „Zullen we dat straks even apart bespreken? Ik zie een paar mensen op hun stoel schuiven; die zijn vast al te laat voor de volgende vergadering.”

De interim-manager: „Nee, nu wil ik het weten! Even vingers zien: wie werkt hier fulltime?” (Vijf vingers gaan in de lucht, één niet.)

De interim-manager, tegen de facility-manager: „Hé, jij werkt parttime?”

De facility-manager: „Ja, vier dagen.”

De interim-manager: „Op welke dag ben je d’r niet?”

De facility-manager: „Vrijdagen.”

De interim-manager: „En op donderdagen mag je thuiswerken. Goed geregeld…”

De human resources-manager: „Mag ik gaan?”

De interim-manager: „Nee! Nú wil ik het weten! Ik schors deze vergadering voor drie minuten zodat jullie allemaal je volgende afspraak kunnen afzeggen en even naar de wc kunnen.”

De secretaresse: „Wát?”

De interim-manager: „Hoezo wát – heb je een vraag?”

De secretaresse (rood hoofd): „Eh, nee hoor, ik ben verbaasd…” (Fluistert naar de controller:) „Durf jij om een rookpauze te vragen?”

(Drie minuten later)

De interim-manager: „Dit was de tweede vergadering die wij met elkaar gehad hebben. D’r zijn me een paar dingen opgevallen. Die wil ik even met jullie delen. En ik wil jullie duidelijk maken wat mijn visie is op het fenomeen ‘werkweek’.”

De sales-director: „Dit voelt niet goed.”

De interim-manager: „Wat voelt niet goed?”

De sales-director: „Je behandelt ons als schoolkinderen. Je laat ons nablijven, krijgen we strafwerk? Ik heb wel wat beters te doen.”

De interim-manager: „Dan haal je dat vanavond tussen zes en zeven maar in; stuur maar een app’je naar je gezin dat je vanavond een uurtje later thuis bent.

(De interim-manager kijkt even op z’n smartphone, vooral om met een moment van stilte de spanning op te voeren.)

De interim-manager: „Wat ik nu ga zeggen, zal jullie vast verbazen. Ik ben een gróót voorstander van parttime werken. En ik doe zelf ook aan thuiswerken. We leven in 2014, in de tijd van parttimewerk en flexwerk.”

De facility-manager (mompelt): „Nou, dat weet je anders …”

De interim-manager (valt uit): „Stil! Laat me uitpraten! Zelf werk ik vier dagen in de week en ik probeer één dag in de week thuis te werken.”

De facility-manager: „Wat? En net zette je mij onder druk …”

De interim-manager: „Ik zette je helemaal niet onder druk. Ik stelde je een paar vragen en je gaf ontwijkende antwoorden. En ik zal je zeggen welke indruk jij op mij maakt – en trouwens: jullie allemaal. Twee dingen. Ten eerste stralen jullie uit dat het werk bij jullie op de tweede plaats komt. Tuurlijk, een week telt zeven keer 24 uur, waarvan je d’r maar vijf, en sommigen vier, hoeft te werken – en dan een stuk of acht van de 24 uur per dag. Valt dus reuze mee. Maar jullie gaan er krampachtig mee om: het werk vult de gaatjes die overblijven als je de kinderen naar school hebt gebracht, en met een vaste thuiswerkdag op donderdag, en je vaste vrije dag op vrijdag is dat een lekker bruggetje naar een driedaagse werkweek…”

De facility-manager: „Dát hoef ik niet te pikken! De donderdag is mijn productiefste dag van de week!”

De interim-manager: „Oké, kom maar op, wat doe je dan de hele dag?”

De facility-manager: „Weet je hoeveel e-mail ik krijg?”

De interim-manager: „Ja, je krijgt oeverloos veel e-mail van je eigen medewerkers, omdat ze je maar drie dagen in de week zien. Dus gaan ze je honderden mailtjes sturen, met vragen die ze je anders gewoon bij het langslopen zouden stellen. En dat niet alleen: jullie zitten die mailtjes ook naar elkaar te cc’en, waardoor één groot kippenhok ontstaat van mensen die stuurloos rondkakelen. En dát geeft jou dan het gevoel dat jij zo lekker efficiënt bezig bent op je thuiswerkdag…?!”

De facility-manager (sprint overeind): „Ik laat me hier niet langer beledigen.”

(Beng – de deur dreunt dicht. Stilte.)

De secretaresse (tegen haar buurman): „Je laat je koffie koud worden.”

De sales-director (tegen de imterim-manager): „Je wilde twee punten met ons delen? Ben benieuwd; je eerste punt sloeg in als een bom…” (Besmuikt gelach.)

De interim-manager: „Eigenlijk heb ik mijn tweede punt al gemaakt: jullie beseffen onvoldoende dat jullie hier de rolmodellen zijn binnen de organisatie. Als je kijkt naar je medewerkers, dan zie je in feite jezelf in de spiegel. En dus roept iedereen hier: ‘Nee, donderdag is mijn vaste thuiswerkdag, mijn papadag, ik heb mijn wandeluurtje, ik neem vier rookpauzes per dag, ik kan hier nóóit voor negen uur ’s ochtends zijn, de vrijdag na Hemelvaart heb ik áltijd vrij, tussen Kerst en de jaarwisseling werk ik liever niet.’ En dát leidt tot een stroopcultuur, waarin het werk een permanent agendaprobleem is.”

De human resources-manager (die tot dusver vrijwel niks heeft gezegd, omdat ze haar e-mails zat weg te werken): „Maar dat ís het toch ook, een permanent agendaprobleem?”

De interim-manager: „Nee, dat maken wij ervan! Een vaste thuiswerkdag is onzin: dat dient vooral het privébelang van de werknemer en schaadt het belang van de organisatie. Als je voorstander bent van ‘het nieuwe werken’ en van ‘flexwerken’, dan betekent dit dat je zelf óók flexibel bent, snap je? Flé-xi-bel. Zoals de hoeveelheid werk niet geleidelijk op je afkomt maar in een golfbeweging, zo moet je ook kunnen meebewegen met de tijd dat je thuis werkt, en niet werkt.

„Gaan jullie daar maar ’s over nadenken. We zien elkaar morgen over twee weken, om acht uur ’s ochtends.”

    • Gijsbert van Es