‘Niemand lijkt meer outsider te willen zijn’

In ‘We Are the Best’ doen drie jonge punkmeisjes hun best er vooral niet bij te horen. „Dat directe, bijna fysiek reageren op je omgeving – dat ontbreekt vandaag de dag.”

Het interview vindt plaats in Eye, met een prachtig uitzicht over IJ en de Amsterdamse binnenstad. Maar de Zweedse regisseur Lukas Moodysson (45), wiens We Are the Best hier in Nederlandse première gaat, zit er met zijn rug naartoe: „Ik heb last van concentratieproblemen.”

Met uw nieuwste film, over drie dertienjarige meisjes die in de jaren 80 een punkband beginnen, keert u min of meer terug naar de thematiek van uw geruchtmakend debuut uit 1998, ‘Fucking Åmål’. Vanwaar die belangstelling voor de belevingswereld van jonge adolescenten?

We Are the Best is in het buitenland bestemd voor een filmhuispubliek. Maar in Zweden functioneert de film als een film voor jonge mensen. Daar is hij ook voor bedoeld. Ik heb hem gemaakt als een jeugdfilm.”

Maar dan wel gesitueerd in het verleden van de jaren 80, waarin revolte de norm was.

„Was dat wel zo? In de voorstad van Malmö, waar ik opgroeide, was ik als twaalfjarige een van de twee punks in de stad. Mijn vrouw – die de graphic novel maakte waarop deze film is gebaseerd – was ook punk, in Stockholm. Maar die herinnert zich ook dat er maar een handjevol jongeren punk waren. Het was een subcultuur, zeker niet de norm.”

Bent u nostalgisch naar die tijd?

„Als twaalfjarige punk had ik het gevoel dat ik te laat was. Alle grote Zweedse punkbands waren begin jaren 80 al een legende. Punk was al geweest.”

Evengoed laat u drie vastberaden en opstandige punkmeisjes zien. Is dat een oproep tot revolte in een tijd waarin conformisme en de eisen van economische competitie het leven van jeugdigen bepalen, veel meer dan dertig jaar geleden?

„Mijn heldinnen zijn niet zozeer opstandig, maar heel direct in hun reactie op de omgeving. Hekel aan hun gymnastiekleraar? Schrijven ze meteen een liedje over. Hun nieuwe vriendin gelovig? Daar willen ze haar meteen van afhelpen. Direct, bijna fysiek reageren op je omgeving – dat ontbreekt vandaag de dag, denk ik. Natuurlijk zijn er tegenwoordig ook jongeren die zich anders voelen dan hun omgeving – omdat ze van een soort muziek houden waar verder niemand van houdt, of omdat ze homoseksueel zijn bijvoorbeeld. Maar die kiezen dan niet voor de positie van subversieve outsider. Niemand lijkt meer outsider te willen zijn – het wemelt van de initiatieven, op internet bijvoorbeeld, om de algemene norm op te rekken, zodat alle outsiders als insider maatschappelijk geaccepteerd worden.

„Iedereen lijkt de wereld te willen veranderen om er zelf bij te kunnen horen. Dat is natuurlijk een mooi streven, maar persoonlijk vind ik het ook iets treurigs hebben. Het kan heel troostrijk zijn om te merken dat sommige mensen je verachten en op je spugen, zoals de meisjes in de film overkomt bij hun eerste optreden.”

Voelt u zich als regisseur een insider?

„Ik voel me altijd een vreemdeling. In materieel opzicht ben ik natuurlijk een insider: ik heb een huis, een vrouw, een baan, kinderen. Maar psychologisch voel ik me een outsider, die films maakt en boeken en gedichten schrijft om de wereld te doorgronden. Ik ben meestal bang om op reis te gaan omdat ik op een bepaalde manier niet kan begrijpen dat er zoveel mensen op de wereld zijn die allemaal een leven leiden dat je niet kent. Zie je die jongen daar aan het water staan vissen? Dat is een heel leven! En van al die levens weet ik niks – dat is bijna beangstigend. In die zin zal ik nooit een insider worden.”

Na een reeks zeer succesvolle films (Fucking Åmål in 1998, Together in 2000 en Lilja 4-ever in 2002) ontpopte Moodysson zich vanaf 2003 als een experimenteel filmer. Hij maakte een tweetal, door het publiek voornamelijk onbegrepen films (A Hole in My Heart, 2004 en Container, 2006), gevolgd door een geflopt sociaal drama met grote namen als Michelle Williams en Gael García Bernal, Mammoth (2008). Daarna bleef het een paar jaar stil rond de filmmaker Moodysson en concentreerde hij zich geheel op zijn activiteiten als schrijver en dichter: „Als filmer was ik mijn zelfvertrouwen helemaal kwijt.” Dat kwam terug toen hij de afgelopen jaren als docent verbonden was aan de filmschool in het Finse Helsinki: „Opeens kreeg ik weer in de gaten dat ik het best kon: mensen voor het oog van de camera tot iets brengen.”

Wat is voor u belangrijker? Schrijven of filmen?

„Schrijven. Dat doe ik ook al veel langer. Misschien is het mijn ongeluk dat ik meer talent heb als filmer dan als schrijver. Ik schrijf als filmer ook mijn eigen scenario’s. Maar tijdens het filmen kijk ik nog maar zelden in dat scenario. Want om te lezen heb ik een bril nodig en ik word duizelig als ik die steeds maar weer op en af moet zetten. Ik kijk bij het filmen liever naar de acteurs, en laat iets voor de camera ontstaan. Maar zowel schrijven als filmen zijn methoden om op het leven greep te krijgen. Als ik straks terug ben op mijn hotelkamer, schrijf ik op wat ik vandaag heb beleefd.

„Schrijven is wel eenzaam natuurlijk – filmen is als hypersociale activiteit af en toe een welkome afwisseling op de eenzaamheid. Ieder tweede jaar een film, dat is eigenlijk mijn ideaal. Dan ben ik ook niet te vaak weg van mijn gezin.”

Een van de drie punkmeisjes is een gelovig christen. Dat bent u ook, heb ik gelezen?

„Ja. Vindt u dat gek?”

Nee, waarom?

„Ik ben een zeer verward gelovige, die onregelmatig naar de kerk gaat. Maar het leven is belangrijk, en dus ligt het nogal voor de hand dat je als mens ook probeert te begrijpen wat het leven is. Omdat ik bang ben om te reizen, ben ik op reis wel geloviger dan thuis. Vandaag heb ik een crucifix in mijn broekzak. In Zweden doe ik dat bijna nooit.”

    • Raymond van den Boogaard