Maakt internet ons dommer?

Sinds Pepijn Vloemans twittert, verdrinkt hij in de stroom berichten. Zijn sociale media de gebruikers eigenlijk wel van dienst, vraagt hij zich af.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

‘Sinds ik een smartphone heb, kan ik geen boeken meer uitlezen”, bekende een vriend onlangs, „Ik heb er de concentratie gewoon niet meer voor.” Onder mijn vrienden bespeur ik een steeds grotere vijandigheid tegen sociale media: een andere vriend ruilt zijn smartphone uit zelfbescherming in voor een klassieke gsm. Zijn angst is dat de snelle informatieshots van Facebook, WhatsApp en Twitter hem dommer, verstrooider en jaloerser maken. ‘Ik denk niet meer op de manier waarop ik dacht’, schrijft technologiecriticus Nicolas Carr in zijn bestseller Het Ondiepe. ‘Mijn concentratie begint te verslappen na een bladzijde of twee.’ Zijn sociale media de gebruikers – jij en ik–- eigenlijk wel van dienst?

Hoewel de vrees voor een nieuwe informatietechnologie niet nieuw is – de beroemde zeventiende-eeuwse wiskundige G.W. Leibniz betreurde al ‘de verschrikkelijke massa boeken die maar blijft groeien’ – doet de schaal en snelheid van het internet alle andere communicatierevoluties verbleken. Sinds ik twitter verdrink ik geregeld in een stroom berichten. Facebook open ik op sommige dagen veel te vaak. Multitasken is niet de doping waar ik productiever van word, maar de harddrug die mijn aandachtsspanne ruïneert. Het was nog nooit zo gemakkelijk geweest om afgeleid te raken.

Ontwikkeling van betere ideeën

Toch denk ik dat deze persoonlijke worstelingen een fundamentele, en positieve, ontwikkeling in de menselijke evolutie aan het zicht onttrekken. Want Facebook en WhatsApp maken deel uit van wat The Economist onlangs een ‘cambrisch moment’ noemde. Zoals de biodiversiteit op aarde 540 miljoen jaar geleden ineens tot bloei kwam, is de toename aan online diensten en ideeën sinds het mobiele internet explosief gegroeid. ‘Software eet de wereld op’, schreef techinvesteerder Marc Andreessen al in 2011. En dat is, als je gelooft dat vooruitgang neerkomt op de ontwikkeling van steeds betere ideeën, een goede zaak.

Hoe bijzonder het heden eigenlijk is zien we pas als we kijken naar het verleden. De menselijke geschiedenis bestaat namelijk voor 99 procent uit intellectuele stagnatie. De vroege mensen – jagers en verzamelaars zonder vaste woonplaats – leefden afgezonderd van elkaar in dunbevolkte gebieden. Als iemand buitengewoon begaafd was, of een keer zomaar een briljant idee had, dan bleef het daar ook bij: de kans dat er een gelijkgestemde in de buurt rondliep, was minimaal. Vooruitgang was daardoor lange tijd non-existent. Millennia gingen voorbij zonder nieuwe uitvindingen. De overgang naar een agrarische samenleving – pakweg 10.000 jaar geleden – maakte voor het eerst permanente, dichtbevolkte steden mogelijk waar goede ideeën zich snel konden verspreiden. En toen begon het grote brainstormen. Het is geen toeval dat twee van de grootste uitvindingen aller tijden, democratie en kritische filosofie, in een relatief dichtbevolkte stad als Athene ontstonden. Want vooruitgang, schrijft Matt Ridley in The Rational Optimist (2010), is niets meer of minder dan ‘ideas having sex’. Net als dieren door seks DNA uitwisselen en daarmee de beste eigenschappen om te overleven uitruilen, is het uitwisselen van ideeën, waarvan de beste overleven, een evolutie op zichzelf. Het wiel uitvinden is al briljant, maar was het daarbij gebleven dan waren we er vandaag niet zo enthousiast over geweest. Het was het extra idee om er een goedkope motor op te zetten of er een spoor onder te leggen dat personentransport mogelijk maakte. De microchip is een briljante technische uitvinding, maar het zijn de duizenden nieuwe en niet voorziene toepassingen, van de iPhone tot GPS, die ons leven ingrijpend hebben veranderd.

Het beste nog eens nalezen

Steden zijn niet de enige motor van vooruitgang. Het was de uitvinding van de boekdrukkunst die een volgende zwengel gaf aan de ideeënseks. Plotseling hoefde je niet meer iemand persoonlijk te spreken, maar kon je het beste van het beste wat er ooit gedacht was rustig nalezen. Aan deze hegemonie van boeken lezen als primaire manier van leren komt nu een einde. Maar dat is nog geen reden om te denken dat we er dommer van worden. ‘Iedere keer dat we geconfronteerd worden met verontrustend nieuwe denkgereedschap, raken we in paniek’, schrijft Clive Thompson in Smarter than You Think (2013), „Waarna we snel aan de slag gaan om te kijken hoe we ze kunnen gebruiken om te werken, denken en scheppen.”

Facebook en WhatsApp zijn in feite een digitale kruising van steden en boeken: het combineert de kennis van het schrift met de sociale context van steden. We lezen wellicht minder boeken en struinen individueel misschien te veel op internet, maar nog nooit in de geschiedenis konden we zo gemakkelijk iets delen dat ons boeit. ‘Als ik verder heb gezien, dan is het omdat ik op de schouders van reuzen heb gestaan’, schreef Isaac Newton.

Door internet zijn die schouders overal, en voor iedereen. Moest Newton nog naar de bibliotheek van Cambridge, of corresponderen met andere geleerden – inmiddels is bijna alle informatie overal beschikbaar. Een Keniaanse scholier met een smartphone heeft meer informatie tot zijn beschikking dan de CIA in de jaren tachtig. Natuurlijk, we verprutsen tijd op Facebook en Whatsapp. Maar we leren ook sneller: een deel van de informatie in dit essay heb ik via een bericht op Facebook vergaard. Ooit verspreidden goede ideeën zich vrij traag over de wereld. Vandaag worden de beste ideeën razendsnel opgepikt.

En het tempo versnelt: de komende tien jaar komen er vijf miljard mensen voor het eerst online. Deze zullen allemaal met elkaar verbonden zijn. Ze zullen beter opgeleid zijn dan ooit. Ze beschikken over meer en kwalitatief betere informatie dan ooit. Er zullen meer genieën dan ooit hun volle potentie bereiken om de grote problemen van deze tijd op te lossen. De reden om optimistisch te zijn over de toekomst is deze: we leven in een tijdperk van ongekende intellectuele groei. Clive Thompson heeft gelijk: we worden slimmer dan we denken.