Opinie

Limburgs verdriet

Kort voordat het carnavalsgeweld in Limburg losbarstte, zagen we op tv een andere kant van die provincie, belichaamd door de 57-jarige zanger Arno Adams. Hij staat voor het introverte, melancholieke Limburg dat zich liever afkeert van de wereld dan erin opgaat. Hans Heijnen, ook een Limburger, maakte voor Het Uur van de Wolf (NTR) een sterke film over deze even bijzondere als zonderlinge artiest.

„Arno weet dat hij véél groter had kunnen zijn, maar hij vindt zijn carrière al prachtig zonder de roem en het succes”, zei Heijnen vooraf in een interview. Het zou hem niet verbazen als Adams na de vertoning van deze film alsnog buiten Limburg doorbrak.

Ik heb daar een hard hoofd in. Voor artistiek succes zijn meer factoren dan puur talent nodig: volharding, aanpassingsvermogen, goede relaties en ten slotte het beslissende duwtje van het geluk. Om het laatste af te dwingen, moet je aan die andere voorwaarden voldoen, maar Adams lijkt me daartoe niet bij machte.

Er zijn al eerder kansen op zo’n doorbraak geweest. Heijnen verwijst naar een reportage die de Volkskrant in 2005 over Adams publiceerde en hem tot zijn film inspireerde. 2005! Ik was het hele artikel al vergeten, misschien had ik het wel nooit gelezen. Het heeft in ieder geval niet de verhoopte slinger aan Adams’ carrière gegeven, hij bleef alleen in Limburg een fenomeen. Aan het artikel – van John Schoorl – lag het niet. Hij schetste, net als de filmer negen jaar later, een indringend portret van een begaafd artiest die bijna aan zichzelf te gronde gaat. Verslavingen, ziektes, moeizame relaties – het ging maar door.

Al tegen Schoorl zei Adams: „Eigenlijk moet ik er niet aan denken dat het opeens gaat lopen. Ach man, handtekeningen uitdelen, clips opnemen, televisie. Da’s niks voor mij. Als het te veel op werken gaat lijken, vind ik er niks meer aan.”

Er lijkt, behalve luiheid, bescheidenheid achter die woorden te schuilen, maar misschien vloeien ze ook wel voort uit het minderwaardigheidscomplex van de provinciaal die niet aan zijn omgeving durft te ontstijgen. Jammer? Ach, ieder mens moet vooral dat doen waar hij zich gelukkig – of, zoals in het geval van Adams, het minst ongelukkig – bij voelt. Als hij later maar niet gaat klagen dat de wereld hem heeft overgeslagen.

Dat hoorde ik Adams in de film van Heijnen niet doen; hij leek tevreden met zijn locale succes. Hij maakte op mij een volstrekt authentieke indruk, zoals hij mompelend en berustend over zijn leven praatte. Aangrijpend was het moment dat hij, overmand door verdriet, een (eigen) liedje tijdens een optreden moest afbreken. In de kleedkamer vroeg hij de filmer van dat fragment af te zien, maar Heijnen is een ambitieuzere Limburger dan hij.

In zijn muziek hoorde ik de melancholie van veel grote voorbeelden, van Jacques Brel tot Leonard Cohen en, misschien nog wel het meest, Ede Staal, de Groningse zanger. Adams is een betere zanger dan Staal, hij heeft een wat diepere, krachtigere stem, maar als componist van pakkende melodieën was Staal productiever.

Beiden zingen vrijwel uitsluitend in het provinciale dialect, wat hun liedjes nog intiemer lijkt te maken. Adams heeft mooie liedjes gemaakt, maar ik hoorde ze vooral op zijn oudere cd’s: nummers als Mien mooder, Dans met mich en Kus mich dan. Zijn nieuwe werk vind ik gekunstelder, slepender ook. Soberheid past hem beter.

Frits Abrahams