Is de snelle rechter echt beter?

Begrijpelijker, sneller en (digitaal) toegankelijk – de rechtspraak geeft zichzelf voor de komende jaren een grote opdracht. Die kan, zo op het oog, gretig worden omarmd. Men begint aan een kolossale inhaalslag door alle werkprocessen te digitaliseren en veel procedures te vereenvoudigen. Het idee is de rechtsstaat te versterken door de burger eerder resultaat te bieden en dat ook beter uit te leggen.

In het gisteren verschenen jaarplan wordt zelfs een harde doelstelling genoemd. Vanaf 2018 zal de gemiddelde behandeltijd van rechtszaken met „ten minste” 40 procent zijn bekort. Of dat haalbaar is, en hoe, wordt intussen minder duidelijk. De rechtspraak bestaat uit achttien zelfstandige organisaties; het spraakmakende deel van de medewerkers, de 2.500 rechters, is volstrekt onafhankelijk. Niet alleen in hun oordeel, maar vaak ook in hun werkwijze.

Vanaf 2016 moet de rechtspraak bovendien meedoen aan de bezuinigingen. De druk gaat dus stevig omhoog. Terwijl rechters het afgelopen jaar al te hoop liepen tegen werkdruk, ‘bureaucratisering’, afnemende kwaliteit en hoger risico op fouten. Er is dus al onrust aan dek, nog voordat de koers echt is gewijzigd.

Rechtspraak, niet alleen in Nederland, is moeilijk te veranderen. Wetten en procedures zijn vaak sterk verouderd en zeer complex. Communicatie is er sterk geformaliseerd. Veel processen versterken bovendien polarisatie en verhinderen eerder een oplossing of stellen die uit. Budgetmodellen bevatten vaak perverse prikkels – het kan financieel aantrekkelijk zijn om uitstel te vragen, beslissingen op te sparen of zijwegen te bewandelen. Daardoor neigt rechtspleging in hoog ontwikkelde technocratieën ertoe steeds duurder te worden. Succesvol innoveren kan de kosten ook opjagen. Een snel werkende rechtspraak kan aantrekkelijker worden voor burgers en bedrijven en dus meer zaken aantrekken. Zou de rechtspraak inderdaad nieuw werk naar zich toe willen halen?

Ervaring in het buitenland leert dat het digitaliseren van bestaande ouderwetse, complexe procedures geen oplossing is. Wie de functie van de rechtspraak echt wil versterken, dient grotere, strategische vragen te stellen. Welke problemen worden vooral aan rechters voorgelegd en waar komen die vandaan? Is de rechter daarvoor de meest doelmatige oplossing? Of kan het ook anders.

Met twee miljoen vonnissen per jaar is de rechtspraak ook een fabriek. Is drie miljoen dan beter of zou één miljoen ook kunnen? In de schaduw van het recht (en de rechter) ordent de samenleving ook zichzelf. Met bemiddeling, schikking of verzekering. De hele rechtspraak ‘ten minste 40 procent’ sneller laten werken is een mooi en daadkrachtig plan. Maar is er genoeg over nagedacht?