Boegbeeld van het noorden

Liedjesmaker Daniël Lohues zingt over het land waor de suukerbieten gruien // Want hij geeft wél om het idyllische Drenthe, en die liefde wil hij delen // Als voorman van Skik denderde hij door, maar nu is hij volwassener geworden

Illustratie Thinkstock

Het was Daniël Lohues nog niet eerder overkomen: zijn nieuwste album D kwam afgelopen vrijdag binnen op de eerste plaats in de Album Top 100. De Drentse liedjesmaker, die in de jaren negentig doorbrak met zijn Drentstalige band Skik en een hit scoorde met ‘Op fietse’, maakte een cd met vijftien liedjes en twee gastmuzikanten. Er klinken alleen akoestische instrumenten: gitaar, banjo, mandoline, contrabas, en als speciale kleur een harmonium.

En dan is er ook nog een tournee, met meer dan zeventig voorstellingen. Vooral in het noordoosten doet hij het goed: drie keer speelt hij in Emmen, drie keer in Groningen, drie keer in Hoogeveen.

Niet verrassend, want Lohues lijkt inmiddels te zijn uitgegroeid tot boegbeeld van het noorden. Het Drents Museum in Assen nodigde hem uit om een tentoonstelling samen te stellen, die in september wordt geopend. Zijn keuze uit de collectie gaat Hier kom ik weg heten. Bij de voorbereiding stuitte Lohues in het depot op een 150 jaar oude tegel met de sierletter D – van Drenthe, van Daniël. „Daar ligt de cd-hoes, kant en klaar, dacht ik.”

Liefde voor zijn geboortegrond

Uit de teksten die hij schrijft, uit zijn plannen voor de tentoonstelling: uit alles blijkt zijn liefde voor zijn geboortegrond. „Ik wil laten zien hoe oud dit land is. Het museum heeft een hele grote verzameling van stenen bijlen, dat vind ik te gek. En Van Gogh heeft er ook gewerkt; hij heeft er De turfschuit gemaakt, prachtige schetsen en brieven. Dat is wel een teken van erkenning: die grote schilder heeft ook de schoonheid van mijn streek ingezien.”

Lohues is grijzer in zijn baard geworden. Een paar weken geleden werd hij 43. „Tijdens het schrijven van dit album heb ik me voorgenomen om volwassener te doen. Mijn moeder maakt nog steeds mijn post open en doet de boekhouding. Toen ik begon met Skik in 1994 ben ik op een sneltrein gesprongen die maar door denderde. Nu is het tijd voor dingen die ik twintig jaar geleden al had moeten doen. Rijles nemen en zo.”

Op D klinken verwijzingen naar een voorbije liefde (‘Mis mien engel’). En zoals op ongeveer iedere cd die Lohues maakte (met de Skik-albums meegerekend is dit zijn vijftiende), wordt ook zijn heimat bezongen. ‘Op ’t platteland’ is een ode aan de plek waor de suukerbieten gruien; in ‘Achter ’t huus’ zingt hij dat hij graag nog eens naar Chili en Timboektoe gaat, maar toch het liefst een vuurtje stookt onder de sterrenhemel.

Gelukkig ligt mijn huis verstopt

Die schetsen van een idyllisch Zuidoost-Drenthe hebben een keerzijde. Regelmatig krijgt Lohues een telefoontje uit de kroeg dat er gasten zijn die hem graag willen ontmoeten in zijn dorp Erica. „Nee, daar ga ik dan niet op in. Ik ben erg gesteld op mijn privacy. Gelukkig is mijn huis niet zo makkelijk te vinden, dat ligt goed verstopt. Maar als mensen door mijn liedjes Drenthe leren kennen, ben ik daar alleen maar blij mee.”

Voor interviews komt hij meestal naar de Randstad. We spreken elkaar in een café in Amsterdam. Lohues kijkt naar buiten, naar de trams. „Dat rijdt hier allemaal maar mooi. In het noorden en in het oosten worden buslijnen opgeheven, terwijl hier ’s nachts treinen rijden tussen de grote steden. In Holland vindt men dat normaal, maar het is eigenlijk een beetje gek, hè.”

Op Twitter mengt hij zich in het debat over het Groningse aardgas. „Ik zou daar graag subtiel over doen, maar het is gewoon schandalig. In Noorwegen hebben ze hun oliegeld in een pot gestopt, wij hebben het verbrast en Groningen krijgt er niks voor terug. Ik was laatst in Texas, probeerde ik het uit te leggen aan een man die op een olieveld woonde. Hij was er schatrijk van geworden. Natuurlijk begreep hij niets van hoe het er hier aan toe gaat. Er komt gas uit jouw grond, en jij krijgt er niks voor terug?”

Waarvan betalen ze grachtenpanden?

„Het is een Hollandse traditie om uit een bepaald gebied geld te genereren en dat hier in Holland te investeren”, vervolgt hij fel. „De veenkolonies in het noorden, de mijnen in Limburg, dat waren net zo goed wingewesten als Indonesië en Suriname. In Amsterdam zouden ze zich eens af moeten vragen waar die grachtenpanden van betaald zijn. En als je dan in Holland komt en je hebt een andere achtergrond, word je niet eens voor vol aangezien. Dan word je uitgelachen om je accent.”

Toch speelt hij ook graag in de hoofdstad – begin april staat hij twee keer in de Kleine Komedie. Wat hij hierna gaat doen? „Dit album zie ik als het vierde in een reeks. Voor ik aan dit vierluik begon, heb ik vier albums gemaakt (Allennig I t/m IV) waarop ik helemaal alleen te horen was. Ik wil meer met filmmuziek doen, dat vind ik te gek. En ik produceer de nieuwe plaat van Henny Vrienten, die is net zo perfectionistisch over zijn liedjes als ik. Ook zou ik graag nog eens een bluegrassplaat willen maken. Vind ik te gek.”