Rij 15, stoel 33 ‘voor de beste akoestiek’

Waar in het Concertgebouw kun je het best zitten? Beneden klinkt de muziek anders dan boven op het balkon.

Links midden in de zaal, op rij 15 stoel 33, zou volgens componist en oud-recensent Lex van Delden de beste plek zijn in het Concertgebouw. Volgens de Finse onderzoeker Jukka Pätynen zou dat na rij 17 in de zaal en op eerste rij van het balkon zijn. Foto Roger Cremers

Lex van Delden, componist en oud muziekredacteur van Het Parool, heeft er ooit een eigen berekening op losgelaten. Waar klinkt dat beroemde Amsterdamse Concertgebouw nou echt het allerbeste? Rij 15, stoel 33, besloot hij: links midden in de zaal. Daar zit de recensent van Het Parool tot op de dag van vandaag, terwijl de critici van alle andere kranten plekken hebben op de eerste rij van het frontbalkon.

De akoestiek van het Concertgebouw is wereldberoemd en als bezoeker begrijp je waarom. Zeker dáár, op het frontbalkon, ervaar je een weldadige akoestische warmte, waarin de verschillende instrumentgroepen romig versmelten en waarin de toon van de solist moeiteloos opstijgt. Daarom is het Concertgebouw ook zo’n lekkere zaal voor hoogromantische muziek uit de bouwtijd van de zaal. Bruckner, Mahler, Strauss – die hoor je nergens beter. Maar voor muziek die ritmische precisie eist, ligt dat anders.

Zit je beneden in de zaal, ervaar je de orkestklank anders. Minder homogeen, helderder per instrumentgroep te onderscheiden. Met als nadeel dat je dan tegen de eerste violen en celli aankijkt, en nauwelijks kan zien wie daarachter zitten – een probleem dat overigens in alle gelijkvloerse concertzalen speelt . Daarom is het Utrechtse Vredenburg (vanaf volgende maand weer open) van architect Herman Hertzberger met zijn amfitheaterachtige indeling zo’n heerlijke plek.

Internationaal gezien prijkt het Concertgebouw steevast in alle lijstjes met topzalen, naast bijvoorbeeld de Musikverein in Wenen (1870) de Symphony Hall in Boston (1900) en Suntory Hall in Japan (1986) – alleen die laatste is geen ‘schoenendoos’.

De meeste musici van het Koninklijk Concertgebouworkest spelen, de roem van hun thuisbasis ten spijt, het liefst in Wenen: de Musikverein noodt uit tot mooi, kamermuzikaal samen spelen omdat je als musicus daar niet alleen jezelf hoort, maar ook de anderen. Het Concertgebouw geldt vanuit muzikantenpers-pectief als een ‘lastige’ zaal, omdat je alleen jezelf hoort en je bij het samenspel dus sterk moet varen op wat je ziet, en niet alleen op wat je hoort. Anderzijds wortelt juist in die uitdaging volgens velen ook de unieke klankcultuur van het orkest.

Voor het publiek geldt dat allemaal niet. Het Concertgebouw is een extreem gulle zaal, waarin oneffenheden wegsmelten in een fluwelen totaalbeeld. Als je die akoestiek gewend bent, moet je elders altijd even omschakelen.

Nederland is gezegend met uitstekende zalen: ook Vredenburg en het Muziekgebouw aan ’t IJ zijn zalen om te koesteren. Maar het inwendige oor moet altijd even accomoderen, omdat het door het Concertgebouw verwend is.

    • Mischa Spel