Ploeterend in een spiegelpaleis

Lezen // Jong talent Daan Heerma van Voss Het land 32 De Bezige Bij, 547 blz. 3

Het land 32 laat zich niet gemakkelijk waarderen. Daan Heerma van Voss gooit de lezer in zijn vijfde roman in het diepe. Het begint in een duistere ruimte, die een zaal blijkt, een zaal met nummer 32. De hoofdpersoon is er terechtgekomen zonder bagage, zonder een herinnering aan zijn eigen naam. De enige echte zorgen zijn: een weg vinden en overleven. En dat duurt lang – lezen is ploeteren. Voor de hoofdpersoon komt de escape van een oude man. Als een soort opperwezen beschikt hij over voedselbonnen. De hoofdpersoon kan die verdienen met het schrijven van verhalen. De oude man krijgt de naam Vrijdag – naar de deadlinedag. Wie hierin verwijzingen opmerkt naar de Tweede Wereldoorlog (voedselbonnen), religie (opperwezen) en de literatuur (Vrijdag uit Robinson Crusoë), sleept er absoluut niet te veel bij. De verwijzingen zijn zo talrijk dat je er moeilijk vat op krijgt. Daan Heerma van Voss (1986) laat zich gelden als een van de meest veelbelovende schrijvers van zijn jonge generatie. Met Het land 32 bewijst hij dat inderdaad te zijn. Na een bladzijde of tweehonderd – na psychedelische scènes (met agressieve apen, gestroopte katten) – hebben we dan een soort route door dit literaire spiegelpaleis gevonden en krijgt het verhaal iets meeslepends. Door het samenspel van de hoofdpersoon en het zieke meisje Penny wordt het cerebrale verhaal invoelbaar. Schrijven kan Heerma van Voss, althans: soms lijkt het ‘goeroeachtig gelul’, maar dan is het wél treffend ingezet geraaskal. Toch: een good read is het niet, het blijft weerbarstig. Misschien moeten we Heerma van Voss zo’n boek gunnen – zodat de bakens van zijn schrijverschap gezet zijn en de weg vrij is om iets te scheppen dat niet enkel over scheppen gaat. Maar kán hij dat? Het antwoord dat Het land 32 op die vraag geeft, is dubbelzinnig.

Thomas de Veen