Marthalers traagheid zit de tragiek danig in de weg

Niet één, maar twee Elisabeths telt Christoph Marthalers regie van Glaube Liebe Hoffnung (1932) van Ödön von Horváth. Als de ene Elisabeth (Olivia Grigolli), straatarm en wanhopig, haar lichaam aanbiedt aan de wetenschap bij het ‘Anatomisch Instituut’ om alvast de vergoeding op te strijken, staat de andere (Sasha Rau) nog te aarzelen om de hoek. Tot ook zij opgaat. Marthaler laat complete scènes zich zo herhalen, steeds eerst met de ene, dan met de andere Elisabeth. Soms spelen ze een scène simultaan. Met dat dubbelgangermotief verwijst Marthaler vooruit naar Elisabeths naderende dood – de ondertitel van het stuk luidt ‘Een kleine dodendans’. Maar hij lijkt ermee ook een sprankje hoop te hebben toegevoegd, een ‘wat als’-scenario. Als de ene Elisabeth het bed deelt met een sullige cipier, heeft de andere een veel knappere kandidaat tussen de lakens. Zou hun liefde toch zuiver en puur zijn? Of onderstreept Marthaler zo juist Elisabeths tragiek? Wil hij tonen dat wat zij zich rooskleurig voorstelt in werkelijkheid treurig is? Het is soms gissen, in deze regie.

En zo zijn er meer wonderlijke vondsten. In de orkestbak treffen we op de stoelen geen musici maar een verzameling speakers. Eén acteur (Clemens Sienknecht) speelt piano, veelal variaties op de Marche Funèbre van Chopin en Schuberts Der Tod und das Mädchen. Hij treedt ook op als predikant, voorganger en verteller. De overige personages zijn goeddeels karikaturen: te gezagsgetrouw, machtsgeil of egoïstisch om Elisabeth te kunnen helpen. Terwijl zij tegen de muren opvliegt, zingen zij meerstemmig melancholieke liederen.

Marthaler maakt een stemmige regie met hier en daar een komische noot, in een beklemmend kil decor. Maar hij smeert het geheel onnodig uit. Met die, hem kenmerkende, vertragende aanpak wil hij rust en concentratie afdwingen, en in het theater een ander, tijdloos universum creëren. Maar de traagheid wordt op den duur vooral ergerlijk en zit Von Horváths tragiek danig in de weg.

Eén beeld is wel weer geniaal; als een goeiige passant na Elisabeths zelfmoordpoging, niet één, niet twee, maar wel vijf levenloze meisjes uit de rivier opvist. Eén voor één legt hij ze op toneel – een ijzingwekkende aanklacht. Alsof de nietsontziende maatschappij die Marthaler schetst niet alleen Elisabeth, maar een hele generatie jonge vrouwen de dood in drijft.