Theater is geen fictie, maar echt

De treffende voorstellingen van de Volksbühne, te zien op festival Brandhaarden, laten het publiek niet los

Scène uit ‘Der Spieler’ van Frank Castorf van de Volksbühne BerlinFoto Thomas Aurin

Het decor glinstert oogverblindend van zilverdraad. Met opgewonden stem memoreert een actrice dat ze de beroemde Fiona Shaw beladen met tassen van peperdure merken als Chanel en Vuitton uit de taxi ziet stappen bij een schouwburg. Ze verdwijnt door de artiesteningang en nog geen half uur later gaat het doek op: daar staat de beroemde Shaw, naakt, neerhangende schouders, haren nat van de toneelregen. Naakt én Vuitton, dat is theater. Zo begint Glanz und Elend der Kurtisanen van regisseur René Pollesch van de Berlijnse Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz in het festival Brandhaarden.

Als Duitsers toneel maken, laten ze de de toeschouwers niet los. Pollesch zelf schreef de tekst die anderhalf uur op even verbluffende als verwarrende wijze gaat over fictie en leugen, toneelrol en echte rol, waan en werkelijkheid. Acteur Martin Wuttke, net zo beroemd als Shaw, richt zich tot het publiek en vraagt meedogenloos: „Waarom is het zo stil daar? Zit u als uilen in de nacht te kijken?” Hij blaast sigarettenrook de zaal in en ja, een enkele toeschouwer begint te hoesten. Het bewijs is geleverd: theater is helemaal geen fictie, maar werkelijkheid. Pollesch streelt en tart het publiek, evenals zijn kompaan van de Volksbühne Frank Castorf die Dostojevski’s roman Der Spieler (1868) in een bijna vijf durende ijlkoorts op het podium brengt. Acteur Alexander Scheer is de gokverslaafde speler Alexej, die zojuist in Las Vegas is aangekomen. Zijn lichaam trilt van de opwinding. Hij herdoopt het walhalla der gokverslaafden tot Roulettenburg. Het rondzwiepen van de roulettetafel vertaalt Castorf in een ouderwets draaitoneel, zoals zijn inspirator Brecht die ook gebruikte. Dit draaitoneel geeft hem de mogelijkheid verschillende tijden en verschillende plaatsen in de voorstelling te weven. We bevinden ons evenzeer in Dostojevski’s late negentiende eeuw bij een generaalsfamilie als in het Engelse landhuis van Rolling Stone-gitarist Brian Jones die in zijn zwembad verdronk.

Iedereen in Der Spieler is verslaafd aan het gokken. Maar dit gokken is meer dan alleen aan de roulettetafel, het is gokken met je leven. Er is de bekoorlijke generaalsdochter Polina op wie de speler verliefd is. Maar de liefde kan pas doorgang vinden als een rijke tante eindelijk dood is. Iedereen wacht op haar doodsbericht, totdat de tante zelf als een heks haar entree maakt en wraak neemt. Een van de ongelooflijkste rollen is die van Polina: in nooit eerder gehoord spreektempo raast de actrice door in monologen over liefde en goklust. Het is boeiend. Het is ook irritant. Castorf legt een theatrale zweep over de toeschouwers. Opeens, op wonderlijke wijze, zet hij het spel stil en toont hij de acteurs als fragiele personages die dansen op de rand van de vulkaan. Ze dromen over rijkdom, maar bekopen die met hun ondergang. Aan het slot is de speler een geknakt man, alleen op een eenzame stoel. Castorf zet elk middel in om zijn hellevaart angstwekkend te maken.

Pollesch bedient zich in Glanz und Elend van meer esthetiek. Prachtig is de luchtballon die over de bühne zweeft. Maar zodra de toeschouwers dit mooi gaan vinden, vuurt Wuttke opnieuw zijn vragen op ons af: „Waarom mooi?” Dit is het Duitse theater van de Volksbühne in optima forma. Meeslepend en belerend. En al willen we graag geloven in de schoonheid en rijkdom van theater, we mogen het niet. Die paradox is ook verrukkelijk.