Spreekuur bij het stoplicht

Wijkagent Wilco Berenschot zet een tafeltje en twee stoelen op straat en nodigt bewoners uit bij hem te komen zitten. Werkt veel beter dan een spreekuur waar vooral notoire klagers komen.

De eerste keer dat wijkagent Wilco Berenschot zijn opklaptafeltje en stoelen in de buurt neerzette, sprak hij binnen een uur twaalf mensen. Foto Rien Zilvold

Iedereen kent Wilco Berenschot. Althans iedereen in de Rotterdamse wijk het Nieuwe Westen, een gemengde volksbuurt tegen het centrum van Rotterdam. Loop je met wijkagent Wilco Berenschot (49) door de wijk, dan joelen kinderen: Me-néér Be-ren-schot. Hij zwaait enthousiast terug. Een oude man tikt tegen zijn hoed, als hij Berenschot passeert. Een dame met boodschappentas zwaait vanaf de overkant van de straat. De wijkagent is een begrip.

Contact met wijkbewoners, dat ziet Wilco Berenschot als de essentie van zijn werk. Hij houdt iemand aan die over de stoep fietst, spreekt hem bestraffend toe en begint een gesprek. Goh, waar moest je eigenlijk naar toe, zo snel? Je moet niet alleen de sleutelfiguren in de wijk kennen, vindt Berenschot. „Al is dat ook belangrijk. Je moet in de haarvaten van de buurt kruipen.”

Via het wekelijks spreekuur lukte dat niet, merkte hij al jaren terug. Mensen hebben daar geen tijd voor. De paar mensen die wel kwamen, hadden een serieus probleem of waren notoire klagers. Maar de kleine dingen; zwerfafval, een gevaarlijk kruispunt, een junk die fietsen jat en verkoopt, een eenzame oudere. Dat komt niemand vertellen. Berenschot wil dat horen.

Hij begon vier jaar geleden op Twitter @WT_Berenschot. Inmiddels is twitteren zijn tweede natuur. Als bewoners een tweet sturen, krijgen ze meteen antwoord. Bewoners kunnen hem ook skypen. Zomaar, of als ze iets verdachts zien. Hij hoopt dat hij de eerste agent wordt die een inbreker op heterdaad betrapt via Skype.

Zijn grootste troef is de ‘mobiele wijktafel’. Daarvoor heeft hij een Frans terrastafeltje en twee houten klapstoeltjes. Sinds een jaar zet hij die twee keer per week ergens neer. Vandaag midden op het Mathenesserplein. Het is droog en de zon schijnt, dus waarom niet? Regent het, dan zet hij ze in het portaal van de Marokkaanse moskee. Of onder het afdak van de supermarkt. Hij heeft ook al een keer in het bejaardenhuis gezeten. Of in de speeltuin.

De wijktafel is er voor een gesprek. Met iedereen die wil. Gewoon om te horen wat er speelt. Het werkt. De eerste keer had hij binnen een uur twaalf mensen gesproken. Stomverbaasd was hij. Soms staat er zelfs een rij. Als iemand met een écht lastig probleem zit, noteert Berenschot naam en adres en gaat hij op een later tijdstip op bezoek.

Zijn aanpak is door collega’s uit verschillende steden gekopieerd. En dat is ook de bedoeling, zegt Berenschot. In Schoonhoven was er zelfs een officiële opening en in Nijmegen is er een bartafel, zo’n hoge met krukken.

Berenschot waarschuwt wel: het past niet bij elke wijkagent. Een collega die het ook eens wilde proberen, ging zitten en iedereen liep van hem weg in plaats van naar hem toe. De collega probeerde: ‘Jochie, kom jij eens hier’, en weg was het ventje. Toen hij eindelijk een man aan zijn tafel had, bleek het een Oost-Europeaan die geen woord Nederlands sprak.

Bij Berenschot schuift iedereen aan: huisvrouw, zwerver, kraker, advocaat. Kinderen ook. Die hebben ook veel informatie, zegt Berenschot. Dat verwacht je misschien niet. Maar ze wijzen feilloos het zebrapad aan waarvoor nooit iemand stopt. „Daar ga je dan een keer extra surveilleren. En dan zien die kinderen ook: Hé, het helpt dat ik iets zeg.”

Vandaag gaat er een dame zitten. Ze is net vriendelijk op de vingers getikt door Berenschot, omdat ze duiven voerde. Goedbedoeld maar niet wenselijk. De dieren hebben al een overvloed aan eten. Voedsel op straat is sowieso een probleem. Omdat de islam het weggooien van eten afkeurt, gooien veel moslims brood op straat, voor de vogels. „Ja, voor de ratten”, zegt Berenschot.

Hij vertelt hoe hij op straat stond en er opeens stukken brood voor zijn voeten vielen. Hij belde aan, legde de mevrouw in kwestie uit dat dat niet mag. Eenmaal buiten kreeg hij een homp brood op zijn hoofd. Het kwam van de bovenbuurman van de mevrouw die hij net had aangesproken.

Terug naar de wijktafel. Maria Silva (65) woont al 35 jaar in de wijk. Ze heeft fijne buren, prima huis. „Als u mijn pet op had”, vraagt Berenschot. „Wat zou u dan aanpakken?” Tja, ze heeft een probleem met de jongeren op het plein. Wat doen ze, wil Berenschot weten. „Ze hangen, roken, en vechten.” Jongeren moeten ergens staan, begint Berenschot. „Ja, met respect”, zegt Maria Silva. Berenschot: „We geven ze vertrouwen. Beschamen ze dat, dan krijgen ze een boete. Daar zijn we best pittig in, hoor, daarna krijgen ze nog een gesprek thuis bij de ouders.”

„Hé mammie!” Aan de overkant zwaait Silva’s dochter Violet Asmus (39). Silva staat op. Ze moet boodschappen doen. Voor ze het weet zit Violet Asmus op haar plek. Vertel eens, begint Berenschot, voel je je een beetje veilig in de wijk? Asmus sputtert nog even tegen. Ze moet verder, naar haar werk. Dan vertelt ze toch: ze voelt zich veilig, maar baalt van de vele vernielingen in haar straat. Ook aan haar auto. Ze had net een nieuwe, en toen werd haar radio gestolen. De dieven hadden de hele deur eruit getild. Ze deed uiteraard aangifte, maar ze heeft nog steeds een onbehaaglijk gevoel als er iemand in haar straat rondhangt die er niet thuishoort.

Berenschot tikt de informatie in op zijn tablet. „Rotterdam is een wereldstad”, zegt hij later. „Dat trekt ook gespuis. Anderen hebben daar weer last van. En wij proberen overlast aan te pakken, zicht te krijgen op raddraaiers. Maar we kunnen van Rotterdam geen dorp maken.” Ouderen klagen vaak over jongeren. Best lastig. Hij heeft zelf ook twee zoons. Die jongeren hebben ruimte nodig. Je moet ze ook hun gang laten gaan. Dan worden de rupsen vlinders. Als je aan de cocon gaat peuteren, wordt het niks meer.

Het is tijd voor de lunch. Wilco Berenschot klapt zijn tafel en stoeltjes in en brengt ze naar de bloemenwinkel op het plein. Daar mag hij ze achterlaten van de eigenaresse. Berenschot gaat lunchen bij een wijkbewoner. Dit keer bij een klein advocatenkantoor. Hij heeft weer iets nieuws: ‘Agent bijt hond’. Geïnspireerd op het tv-programma Man bijt hond. Zomaar ergens aanbellen en mijn boterham eten. „Dan kom je nog eens ergens. En je hoort veel.”

    • Sheila Kamerman