Column

Kleine wereld

Links: Ontwerp voor het Second Livestock-kippenhok met cilinders.Rechts: De virtuele wereld waarin Second Livestockkippen leven.

door Frits Abrahams

Simon Carmiggelt en Hugo Brandt Corstius – twee columnisten, twee P.C. Hooftprijswinnaars. Toevallig kreeg ik onlangs de lijstjes met hun lievelingsboeken onder ogen. Dat van Carmiggelt luidde: 1. Tsjechov, de brieven, het toneel. 2. De grote Van Dale. 3. Alles van Chandler (niet vertaald). 4. Bloem – Verzamelde gedichten. 5. Wilde – The picture of Dorian Gray. 6. Bob den Uyl – Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam. 7. Elsschot – Villa des Roses. 8. Dorothy Parker (portable editie). Het lijstje van Brandt Corstius: Gogol (drie delen verzameld werk); The wind in the willows (kinderboek van Kenneth Grahame); Het huisje aan de sloot van Carry van Bruggen; In een gewoon rijtuig van Jan Hanlo; Bam van Daniil Charms.

Ik moet constateren dat ik van Carmiggelts lijstje meer heb gelezen dan van dat van Brandt Corstius. Dat strookt met het feit dat ik ook van Carmiggelt zelf meer heb gelezen dan van Brandt Corstius, waarmee ik niet wil zeggen dat de dood van de laatste mij onberoerd laat. Blokker, Komrij, Krol, Heldring, nu weer Brandt Corstius – je zou bijna vrezen dat de recente opruiming onder grote columnisten een hoger doel dient.

Als columnist hadden Carmiggelt en Brandt Corstius weinig met elkaar gemeen, zoals ook blijkt uit die leeslijstjes. Bij Carmiggelt proef ik meer melancholie dan speelsheid, bij Brandt Corstius is het andersom. Maar ook zonder die lijstjes is het niet moeilijk in het oeuvre van Brandt Corstius vooral meer strijdbaarheid te zien dan bij Carmiggelt.

Misschien wordt het verschil tussen hen nog het duidelijkst belichaamd door Gerard Reve. Carmiggelt onderhield lange tijd een grote vriendschap met Reve, terwijl Reve en Brandt Corstius steeds meer afstand van elkaar namen, ook al hadden ze in jaren zestig op de tv nog samengewerkt.

Brandt Corstius noemde Reve een dorpsgek en een racist; Reve complimenteerde Elco Brinkman, drie jaar nadat hij als minister Brandt Corstius de P.C. Hooftprijs 1984 had onthouden, per brief: „Wat deed het mij goed toen U die vieze, vuile, stinkende karpathenkop, dat onreine ondermens, dat ‘individu’ Brandt Corstius de Nobelprijs voor Nederland en Overzeese Gebiedsdelen onthield en bleef onthouden, en niet voor het gepeupel capituleerde. Ik ben nog steeds trots op U, hoe zal ik het zeggen. (…) Uw openbaar optreden heeft altijd iets zeer waardigs en voornaams, en met welk een eerlijkheid en een geduld tegenover al die coptosome hetzers, Hilversumhoeren, beroepstalentlozen en vuilsmijters (figuurlijk en letterlijk)!”

Dit lijken me geen woorden die Carmiggelt voor zijn rekening zou hebben genomen, ook al ergerde hij zich hevig aan de manier waarop Brandt Corstius in Vrij Nederland zijn vriendin Renate Rubinstein belaagde, onder meer met de beschuldiging van ‘neo-antisemitische schunnigheid’. (Volgens Rubinstein was het wraak omdat zij Brandt Corstius ooit de bons had gegeven.)

Het was een kleine wereld waarin sommige van deze columnisten met elkaar verkeerden – kleiner dan soms goed voor hen was. Toen de rel rond de P.C. Hooftprijs voor Brandt Corstius ontbrandde, had je een reactie van Carmiggelt mogen verwachten. De tv vroeg hem er ook om, maar hij weigerde. „Ik zou jou erbij halen en dat is te gevaarlijk”, zei hij tegen Rubinstein.

Waarom had Carmiggelt Renate Rubinstein erbij willen halen? Om aan te tonen dat Brandt Corstius niet deugde en dus die prijs niet verdiende? Het zou een wrange voetnoot zijn geweest in de geschiedenis van de P.C. Hooftprijs.