Column

Geëngageerd publiek

Vaak vraag ik me af waar Astrid Roemer en Marja Brouwers zijn gebleven. Interessante schrijvers. Geëngageerde schrijvers. Je zit als lezer op ze te wachten, maar ze zijn verdwenen. Zojuist laait overal de vraag op hoe het is gesteld met het engagement in de kunst. Die vraag laait iedere drie jaar op en dan maakt iedereen zich zorgen dat de kunst in Nederland te weinig maatschappelijk betrokken is. Maar kijk, klinkt het dan hoopvol, gelukkig is er nu een nieuwe generatie die wel oog heeft voor de omgeving. Drie jaar later komt diezelfde cirkel opnieuw in beweging.

Zo kun je nu horen zeggen dat Nederlandse kunst nooit geëngageerd is geweest. In Amerika, ja, daar is nota bene in 2005 nog een geëngageerd boek geschreven. Door Jonathan Safran Foer. Maar in Nederland: noppes. Uit deze klacht kun je concluderen dat de trilogie van Astrid Roemer over Suriname voorgoed is verdwenen uit het collectieve geheugen. Dat was trouwens al zo toen de engagementskwestie de voor-vorige keer oplaaide en een wetenschapper een veelbesproken boek schreef over literatuur en engagement. De naam van Roemer kwam niet eenmaal voor in het personenregister. Net zo min als die van Brouwers.

Was Casino van Marja Brouwers dan een goed boek? Welnee. Maar over goede boeken kunnen we de jonge schrijver Maartje Wortel aan het woord laten. Die gaf onlangs een definitief en verstandig antwoord op de vraag wat literatuur eigenlijk is. „Meestal geen goed boek.” De trilogie van Roemer dan? Is die een beetje geslaagd in de opzet? Hm. Hier kunnen we de jonge schrijver Joost de Vries citeren. „Is Lolita een goed boek?”

Op een goed boek zitten we niet te wachten, bedoelen Wortel en De Vries. Althans, als zoiets betekent dat het boek volgens de regelen der kunst is geschreven en zonder kauwen naar binnen glijdt. Literatuur is meestal al mislukt voordat een zin op papier staat. De lezers moeten zichzelf in de kraag pakken en dwingen tot lezen. In de trilogie van Roemer moet je gaandeweg door de stijlwisselingen en typisch Roemeriaanse zinswendingen heen bijten. Maar hé, dan heb je ook wat. Een verwerking van de Nederlandse aanwezigheid in Suriname. Een geschiedenis rondom de decembermoorden. Hoeveel meer betrokkenheid kun je als samenleving wensen?

Vooruit, nog een keer de engagementskwestie dan maar. Iedere drie jaar kun je namelijk weer dezelfde twee dingen zeggen. Eén. Voor geëngageerde kunst is een geëngageerd publiek nodig. Geëngageerde kunstenaars zijn er genoeg, daarover hoeven we ons niet driejaarlijks zo druk te maken. Het zijn de bezoekers die over een toneelstuk moet napraten, die zich erdoor moeten laten aanzetten tot oordeelvorming; het zijn de lezers die met ideeën in de hand de wereld in moeten trekken. Het zijn de geëngageerde lezers die moeten lezen.

Twee. Engagement is niet gratis. Vijftien jaar en vijf discussierondes geleden kreeg ik van een Europese instelling de vraag een essay te schrijven over Europa. Omdat een beroep werd gedaan op de politieke betrokkenheid van de auteurs, wilde men niet voor de essays betalen. „Si les auteurs participent, c’est par engagement politico-culturel, nous ne comptons donc pas payer des honoraires.” Die zinsnede houdt me sindsdien bezig. De gruwelijke maatschappelijke misvatting over engagement ligt erin besloten.

Deze punten, een en twee, hangen direct met elkaar samen. Hebben we het over kunst en engagement, dan moeten we het niet over de kunstenaars hebben. Dat zit wel snor. Veel dringender is de vraag naar het engagement van de maatschappij. Een betrokken maatschappij heeft belang bij kunst. Belang! Vanwege dat belang moeten betrokken burgers film zien, toneel zien, literatuur lezen en er bovendien voor betalen. Ze kunnen hun boeken ook collectief online stelen, natuurlijk, stelen kan altijd, maar uiteindelijk is het land in zijn geheel er de dupe van als de kunst verdwijnt.

In The New York Times stond vorig jaar een stuk van een essayist over de onwil van opdrachtgevers om te betalen voor kunst. Helaas hebben we geen budget, zeggen bedrijven en instellingen dan. Geld hebben ze namelijk wel, geld zat, maar dat geven ze liever weg aan hun aandeelhouders of CEO’s – voor lezingen en tekeningen hebben ze simpelweg geen budget. De essayist wees op de gewoonte kunstenaars voor te spiegelen dat de opdracht ze geen geld maar wel zichtbaarheid biedt. „Artist Dies of Exposure”, schreef hij grimmig.

In de engagementskwestie moet je kunstenaars niet laten opdraaien voor het engagement. Anders krijg je elke drie jaar dezelfde vraag. „Die geëngageerde schrijvers, waar zijn die eigenlijk gebleven?” Met altijd hetzelfde antwoord. „Failliet gegaan aan exposure. Ten onder aan desinteresse.”