Carnaval is gewoon een ordinaire braspartij

"Voor de duidelijkheid: we hebben het hier dus over volwassenen zonder aantoonbare klinische stoornis. De typische reactie van de carnavalist op mensen die enig voorbehoud maken ten aanzien van de carnavalsjolijt is er een van totaal onbegrip." Illustratie Hajo

Sociologen tonen er respect voor, de vierders zelf propageren het als ‘traditie’, maar eigenlijk is carnaval gewoon een ordinaire braspartij, vindt Limburger Gard Simons

Waarom de carnavalist zo verknocht is aan zijn dagen van georganiseerde chaos is onduidelijk. Voor sommigen is het de enige mogelijkheid om hun lach-of-ik-schiet-humor openlijk te etaleren. En voor alcoholisten is het de enige tijd van het jaar waarin ze niet net hoeven te doen alsof ze geen alcoholist zijn, want carnaval en het verdovende middel ethanol zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Velen zien in carnaval daarom de gelegenheid om een kansje te wagen bij een dame die ze al een jaar aanbidden. In de meeste gevallen eindigen die drieste versierpogingen in een deceptie. De casanova zoekt zijn toevlucht vervolgens in nog meer ethanol, waarmee is aangetoond dat vrouwen addergebroed zijn, zoals de katholieke kerk stiekem nog steeds gelooft. Desondanks vertoont het aantal seksueel overdraagbare aandoeningen na de feestelijkheden een forse toename, zoals bijvoorbeeld bleek uit een in 2012 gehouden onderzoek van de GGD’s in Tilburg en Den Bosch. Over de Kerk gesproken: die lijfde het van oorsprong heidense feest in om het beheersbaar te houden en goot er een spiritueel sausje overheen. Die religieuze betekenis van ‘vastenavond’, namelijk drie dagen van ongelimiteerd brassen en billenknijpen ter voorbereiding op de onthouding in de aansluitende vastentijd, is allang ondergesneeuwd en vormt nog slechts voor een enkeling de directe aanleiding.

Sommige maatschappijwetenschappers, zoals bijvoorbeeld Herman Pleij, verbinden carnaval met allerlei ingewikkelde sociologische fenomenen. Zo zou het een uitlaatklep vormen voor mensen die de behoefte voelen om zich af te zetten tegen de autoriteiten, maar dat doen we in Nederland het hele jaar, dus de meerwaarde van die paar dagen is mij niet duidelijk. Bovendien is dat ‘anarchistische’ aspect alleen valide in een democratisch bestel. Ten tijde van nazi-Duitsland peinsde er praktisch niemand over gezagsdragers op de carnavaleske hak te nemen. De enkeling die dat toch deed, zoals de Keulse komiek Karl Küpper, kreeg een spreekverbod of erger. Küpper bracht bijvoorbeeld de Hitlergroet waarbij hij vroeg: “Regent het nog?” Het gros van de Duitse carnavalisten had zich de nazi-ideologie echter netjes eigengemaakt en maakte grove antisemitische grappen.

Een belangrijke plaats wordt ingenomen door de carnavalsvereniging, een sektarisch genootschap dat zijn taak uiterst serieus opvat. Er zijn heuse statuten en reglementen die tot in de puntjes voorschrijven hoe te handelen in allerlei voorkomende gevallen van volledige idiotie. Met name de uitverkiezing van de stadsprins is een met veel geheimzinnigheid omgeven aangelegenheid. Is eenmaal bekend welke middenstander bereid is om die tienduizend euro op te hoesten, wordt hij tijdens een jolige plechtigheid door de burgemeester geïnstalleerd. Als de carnavalsdagen eenmaal zijn aangebroken, overhandigt de burgemeester hem een symbolische sleutel, waarmee wordt aangegeven dat de gemeente wordt overgedragen aan de prins en zijn gevolg.

Voor de duidelijkheid: we hebben het hier dus over volwassenen zonder aantoonbare klinische stoornis. De typische reactie van de carnavalist op mensen die enig voorbehoud maken ten aanzien van de carnavalsjolijt is er een van totaal onbegrip. De scepticus wordt aangekeken alsof hij van een ander melkwegstelsel afkomstig is, als ‘zuur’ bestempeld en om de oren geslagen met kwalificaties als ‘azijnpisser’ en ‘Hollander’. Bij mijn beste weten bestaat mijn ontlasting echter uit menselijke urine, ik mag graag een biertje nuttigen, ga me met enige regelmaat te buiten aan grappen en grollen en knijp zelfs wel eens in een bil, zij het dan de bil waarin het me toegestaan is te knijpen zonder mezelf terug te vinden op een huisartsenpost. Bovendien ben ik een geboren en getogen Limburger, dus de kwalificatie ‘Hollander’ is onjuist.

Mijn gereserveerdheid kreeg gestalte in mijn vroege jeugd, toen ik de oudere broer van een vriendje in vol clownsornaat op een keukenstoel zag neerploffen waarop hij verzuchtte: “Ik heb eigenlijk niet zo veel zin.” “Maar Frans”, sprak zijn moeder, “dan ga je toch niet?” “Jawel”, antwoordde Frans, terwijl hij zijn rode fopneus liet oplichten, “dat móet toch? Het is toch carnaval?”

Die woorden van de trieste clown zaaiden bij een toen tienjarige ondergetekende de twijfel die veertig jaar later is uitgemond in dit stukje. De pek en de veren staan al klaar. Ben ik toch nog verkleed.

Gard Simons is schrijver en columnist. Vooral voor de Limburgse kranten schreef hij vele opiniestukken.