Zijn zaad

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week, exclusief, een fragment uit

Een mooie jonge vrouw

van Tommy Wieringa, het Boekenweekgeschenk.

Het verhaal gaat over de relatie van Edward met een veel jongere vrouw. ‘Zij werd ouder door hem en hij werd nog ouder dan hij al was door haar.’

O mdat Ruth maar niet zwanger werd, volgde er een vruchtbaarheidsonderzoek. Edward trok zich af in een ziekenhuiskamertje waar beduimelde seksboekjes lagen en een geluidloze film uit de prehistorie van de pornografie werd vertoond. Hij sloot zijn ogen en dacht aan Marjolein van Unen – ze trekt de drukknopen van haar laborantenjas een voor een open. Haar borsten, huid die glinstert van jeugd. Ze leunt achterover op haar kruk, met haar rug tegen de zuurkast, en laat hem bij zich binnen...

De receptioniste vulde zijn gegevens in op een sticker die ze op het potje plakte, zodat zijn zaad niet verwisseld zou worden met dat van de Noord-Afrikaan naast hem, uitdrukkingloos als fruit. Ze passeerden elkaar even later stapvoets rijdend op de parkeerplaats, de Noord-Afrikaan in een verweerde Fiat en hij in zijn Volkswagen Touareg. Zijn zaad mocht misschien net zo slecht zijn als dat van een immigrant, zijn auto was superieur.

Een paar weken later vertelde de gynaecoloog hem dat slechts vijfendertig procent van zijn zaad levensvatbaar was, ‘ongeveer evenveel als dat van een trucker’. Achter de man waren geboortekaartjes op een prikbord gestoken. Vreugde, vreugde. Hij vertelde over zijn fertiliteitsonderzoek, dat zich concentreerde op bijzonder vruchtbare mannen. ‘Als je wilt weten wat Porsches zo goed maakt’, zei hij, ‘dan moet je Porsches onderzoeken en geen Trabantjes.’

Ze verlieten zijn spreekkamer nadat hij hen had ingelicht over de te verwachten toekomst: een traject waarin ze in oplopende graden van wanhoop langs de wonderen van de moderne voortplantingstechniek zouden worden geleid. Intra-uteriene inseminatie, in-vitrofertilisatie, en als het dan nog altijd niet lukte ICSI, de intracytoplasmatische sperma-injectie, waarbij de levendigste zaadcellen tussen al het dode materiaal werden uit gevist en werden geïnjecteerd in het plasma van de eicel. Er werden twee bevruchte eicellen teruggeplaatst in de baarmoeder, wat de oververtegenwoordiging van het aantal tweelingen veroorzaakte bij deze behandeling. In de parkeergarage streek ze met haar wijsvinger over zijn kruis en zei: ‘Een Trabantje, schat?’

Plicht sloop hun seksleven binnen. Ze vrijden met ongemakkelijke lichamen, Ruth hield bij wanneer het moest. Van niet drinken op weekdagen werd hij soms zo chagrijnig dat ze uitriep: ‘Maak in godsnaam een fles wijn open!’

’s Avonds, als ze voor de badkamerspiegel stonden, zag hij een jonge vrouw en een oude man. Op zijn vijftigste heeft iedereen het gezicht dat hij verdient, had Orwell gezegd, maar dat moment was naar Edwards overtuiging al op zijn bijna-achtenveertigste aangebroken. Er waren dagen waarop hij zijn slaapgezicht niet meer afzette.

Hij stelde vast dat Ruth en hij sluipenderwijs in een tragische leeftijdsdynamiek waren terechtgekomen. Zij had zich aan zijn leeftijd aangepast, in plaats van aan zijn karakter. Ja, zo was het gegaan: zij werd ouder door hem en hij werd nog ouder dan hij al was door haar. Hij waakte ervoor om, als hij naakt was in haar aanwezigheid, voorover te buigen omdat dan zijn buik en borst zich van zijn geraamte leken los te maken en in vormeloze plooien omlaag vielen, maar zakte in plaats daarvan door zijn knieën om de dop van de tandpasta op te rapen. Hij probeerde er geen steunend geluid bij uit te stoten.

Misschien was dit zijn pijn, dacht hij, de pijn die Boeddha genoemd had als een van de voornaamste bronnen van lijden: het scherpe bewustzijn van het verval. Met een vrouw van zijn eigen leeftijd zou dat anders zijn geweest, vermoedde hij, ze zouden samen waardig oud zijn geworden en hun ogen discreet gesloten hebben voor elkaars aftakeling.

Ruth en hij zouden niet samen oud worden. Hij was het al en zou, als de demografie haar algemene wetten toepaste, niet oud genoeg worden om het haar te zien worden. Wat had hij er niet voor over om te kunnen terugkeren naar het allereerste begin, toen hij door deze dingen nog niet zo werd gekweld als nu. De triomf toen hij haar veroverd had! Maar nu, zes jaar later, wist hij dat het een overwinning was die nooit kon worden opgeëist. Wat begon als overwinning, was nu een ongelijke strijd.

Elke ochtend nam hij een handvol pillen waarvan de werking niet of nauwelijks was aangetoond. Hij schaamde zich een beetje voor zijn onberedeneerde geloof dat zeewier, ginseng en propolis in staat waren hem jeugd en kracht te schenken, maar relativeerde dit met de herinnering aan Herman Wigboldus die zijn schoenzolen afveegde op de grasmat voor zijn huis.

Voor het overige doorstond hij de vergelijking met zijn vroegere leermeester niet, zomin als die met Jaap Gerson, dwingende persoonlijkheden die meenden dat het geluk hun rechtens toekwam. Als paratroepers daalden ze op het leven neer en overmeesterden het met geweld. God, wat een achteloze kracht, dacht Edward – kracht waarvan hij wist dat hij die kon nabootsen, maar niet werkelijk bezat. Hij kon een vrouw verleiden met de suggestie ervan, maar haar daar op de lange duur niet mee overtuigen.

Ruth stond lang onder de douche, een teken dat ze zich klaarmaakte om seks met hem te hebben. Hij vroeg zich af of hij in staat was de benodigde lust op te wekken. Misschien als hij haar likte.

Ze wreef een wak in de beslagen deur van de douchecabine en drukte haar neus ertegen. Hij gaf er een kus op. ‘Ik kom zo’, zei ze vanonder het geruis van de waterstralen. In bed lag hij met zijn geslacht te spelen in de hoop er alvast wat leven in te brengen.

Hij wist nog goed hoe het was om alleen al een stijve te krijgen door ernaar te wijzen, in tegenstelling tot het resultaat van gerichte inspanningen dat hij Ruth eens ‘hardachtig’ had horen noemen.

‘Het enige wat ik op jullie voorheb’, had hij eens tegen zijn studenten gezegd, ‘is dat ik weet hoe het is om jullie te zijn, terwijl jullie er geen flauw idee van hebben wat het is om mij te zijn. Dat is ons enige voordeel, voor de rest is de wereld op jullie ingericht. Wij mogen misschien de koopkracht bezitten, jullie bezitten het oneindig veel waardevollere kapitaal van de toekomst, wat die ook mag zijn.’

Toen Ruth even later naast hem schoof en fluisterde ‘sorry, schat, je moet weer even’, vervloekte hij niet voor het eerst dat je zelfs aan een zo buitengewone schoonheid als de hare kon wennen. Alles werd gewoon en wat was gewenning anders dan het voorportaal van de dood? Haar schoonheid leidde ook niet vanzelfsprekend tot geilheid, integendeel, iemand als Marjolein van Unen wond hem ontegenzeggelijk sterker op dan zijn duizendmaal knappere echtgenote. En met dat meisje voor ogen – de vinger die hij in haar kontgat schoof – wist hij zijn opdracht tot een goed einde te brengen.