Wientjes met pensioen, topsectorenbeleid ook

Oké, duidelijk, Jet Bussemaker (PvdA) en Henk Kamp (VVD) hebben geen zin in wilde ideeën of heftige discussies over hoe we straks ons geld verdienen. Onze ministers van Onderwijs en Economische Zaken reageerden voorspelbaar nietszeggend op het uitstekende rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over de toekomst van onze economie. Geen van de adviezen (eis dat leraren academisch geschoold zijn, geef elke werknemer een leerrecht, vervang het topsectorenbeleid voor iets beters) wordt overgenomen. Verder zijn de twee natuurlijk wel heel begaan met de toekomst van ons allen, dat begrijpt u, en doen ze daar al veel aan, aldus het duo.

Omdat van zuurheid niemand ooit beter geworden is, sta ik niet te lang stil bij de teleurstellende reactie van het kabinet. Ik zeg: nieuwe ronde, nieuwe kansen. Volgende week debatteren de fractievoorzitters van alle politieke partijen in de Tweede Kamer over het rapport. Ik bied ze hierbij een discussieonderwerp aan: het topsectorenbeleid. Of beter nog: onze industriepolitiek.

Kabinet na kabinet wil ontzettend graag innovatie stimuleren en onze productiviteit verhogen. Dat doet de overheid nu bijvoorbeeld door bedrijven die investeren in onderzoek (R&D) belastingvoordeeltjes te geven, door negen, volgens het kabinet veelbelovende, bedrijfssectoren aandacht (en geld) te geven, en door kredietverlening aan kleinere bedrijven te stimuleren.

Volgens de WRR is deze industriepolitiek een gedrocht. In de woorden van de Raad: „Het gaat om een bijna niet te volgen hoeveelheid kleine en grote regelingen, die steeds weer na verloop van tijd anders geclusterd en gelabeld worden.” De Algemene Rekenkamer constateerde al in 2011 dat dit versnipperde en veranderlijke beleid weinig effectief is, zelfs zonder naar de inhoud of de doelmatigheid te kijken. Er zit, kortom, geen grote gedachte achter ons miljarden euro’s kostende groeibeleid - het is het resultaat van „toeval, lobby en krachtsverhoudingen”. Elk nieuw kabinet zijn eigen nieuwe knuffelsector (games! verzekeringen! landbouw! chemie!).

De WRR noemt het industriebeleid een verzorgingsstaat voor gevestigde bedrijven, ik noem het een snoeppot voor Bernard Wientjes en de zijnen. De vertrekkende baas van de lobbyclub voor het bedrijfsleven is mij al jaren veel te tevreden met het topsectorenbeleid. Precies wat je niet moet hebben. Want succesvolle industriepolitiek steunt juist niet de gevestigde orde in het bedrijfsleven, klein of groot, maar geeft ruimte en steun aan hun uitdagers: beginnende ondernemers en nieuwe concurrenten.

Zowel het topsectorenbeleid als de fiscale voordeeltjes zijn voordelig voor bedrijven die al (lang) bestaan. Beginnende bedrijven investeren niet in R&D (onderzoek), dus die hebben niks aan een aftrekpost daarvoor. Wat zij nodig hebben is een investeringsfonds van de overheid, zoals dat bestaat in Israël of de Verenigde Staten. Als een nieuwe ondernemer een private investeerder weet te vinden, investeert de overheid mee (onder strenge voorwaarden).

Industriepolitiek kán zin hebben, constateert de WRR. Maar eenduidige recepten zijn er niet. Wat in het ene land wel werkt, mislukt in het andere faliekant. De WRR suggereert daarom de oprichting van een Groeicommissie van wijzen, die een politieke discussie op gang brengt over welk beleid in Nederland zou kunnen werken. Een commissie die kijkt naar de lange termijn, en niet naar het beschermen van gevestigde belangen.

Dus fractievoorzitters, kom even uit de campagnestand, en richt een Groeiraad op waar politici noch polderbonzen inzitten, en hou – na de huidige opschoning van de sociale regelingen voor werknemers en burgers – ook eens een flinke schoonmaak in de verzorgingsstaat van het bedrijfsleven.

    • Marike Stellinga