Westerse pressie werkt averechts in Oeganda

Terwijl Oegandese homoactivisten via stille diplomatie hun doelen probeerden te bereiken, stookten omvangrijke Westerse campagnes het anti-homo vuur verder op. De antihomowet is het gevolg, betoogt Monique Samuel.

Deze week ondertekende de Oegandese president Museveni een pakket aan sodomiewetten, beter bekend als kill-the-gays-bill. Op dat moment viel het zwaard van Damocles alsnog voor de homogemeenschap van Oeganda.

In november 2012 trok ik door het land, voor een reportage over de bedreigde homogemeenschap. Ik, een vrouw, deed me soms voor als transgender. Mijn borsten bijvoorbeeld, bond ik dan af. Al snel werd ik opgenomen in de warme omarming van deze onderdrukte gemeenschap en zo kon ik tientallen jonge homoseksuelen, transgenders, transseksuele seksarbeiders en activisten in hun dagelijkse leven volgen.

Iedere dag waren zij slachtoffer van geweld. Ze werden uitgescholden en bespuugd, verkracht of zelfs gelyncht. Niet zelden waren ze op de vlucht. Vrijwel niemand had zijn studie afgerond; ze waren door hun familie verstoten en door de disciplinaire raad van school of universiteit verwijderd. Werk kregen ze niet.

Parlementariër David Bahati introduceerde de omstreden wet, geïnspireerd op de opvattingen van drie Amerikaanse evangelische voorgangers, onder wie de beruchte antihomopastor Scot Lively, in 2009. Door de komst van honderden evangelisten is de invloed van radicale Amerikaanse predikanten in het hart van Afrika flink gegroeid. Daarnaast wakkeren ook de tabloids homofobie aan; deze week publiceerde The Red Pepper een top-200 van homo’s.

Met de formele komst van de homowetgeving deze week is de agressieve discriminatie van deze mensen niet alleen gelegaliseerd; zij wordt nu ook uit overheidswege aangemoedigd. Op homoseksualiteit staan zware straffen, uiteenlopend van veertien jaar cel voor first offenders tot levenslang.

Hoe kon het zover komen?

Onder grote internationale druk en harde sancties van de voornamelijk Westerse donorgemeenschap leek de antihomowetgeving juist min of meer van tafel. Echter, na kritische vragen van de Canadese minister van Buitenlandse Zaken John Baird over de status van de antihomowet aan de voorzitter van het Oegandese parlement Rebecca Kadaga, tijdens een donorconferentie in Canada eind oktober 2012, ging het mis. Furieus verliet Kadaga de conferentie, briesend dat ze de homowet hoogst persoonlijk door het parlement zou voeren als „kerstcadeau voor Oeganda”. Toen haar vervolgens een reisverbod naar de Amerikaanse staat Alabama werd opgelegd, was de maat vol. Diezelfde week werd de wet opnieuw voorgelegd.

De dominante opstelling van het Westen voedde de woede van Kadaga en haar parlementsleden. Met regelmaat spreken zij over de „Westerse arrogantie en de vuile promotie van neokoloniaal gedachtegoed”. Onder de laatste noemer wordt de bevordering van homoseksuele praktijken geschaard, die in het steeds meer christelijk evangelisch-georiënteerde Oeganda niet alleen als ‘on-Afrikaans’ maar ook als ‘blasfemisch’ worden beschouwd.

Ook landen als Gambia, Rusland, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië voeren enkele van deze argumenten aan voor hun recente actieve bestrijding van homoseksualiteit. Met de opmars van het burgerlijk huwelijk voor homoseksuelen in onder meer Frankrijk en geleidelijk ook in de Verenigde Staten, lijkt er een sterkere mondiale polarisatie op het thema homoseksualiteit plaats te vinden. Hierin staat Westers (en dus ‘homo’) lijnrecht tegenover niet-Westers – en dat laatste ziet homoseksualiteit vaak als iets van buiten de landgrenzen. Deze landen vinden niet alleen steun bij elkaar; in de stugge opstelling van Rusland zien zij een nieuw precedent om ook in eigen land een hardere opstelling aan te nemen.

Het pro-actieve optreden van met name Europese geldschieters zoals Nederland en enkele andere Noord-Europese donorlanden, heeft de positie van de Oegandese homo’s en lesbiennes er niet beter op gemaakt. Onder grote druk van de internationale gemeenschap had het parlement aanvankelijk de plannen laten varen. Maar nadat de meeste donorlanden hun financiële steun aan de Oegandese overheid om verschillende redenen hadden gestaakt, was ook dit laatste pressiemiddel weg.

Homoactivisten als Frank Mugisha, hoofd van de koepelorganisatie Sexual Minorities of Uganda, waarschuwen al jaren tegen de koppeling van financiële steun aan homorechten. Mugisha vreest terecht dat de homogemeenschap verantwoordelijk wordt gehouden voor de economische malaise in het land.

Omvangrijke prohomorechtencampagnes van Westerse ngo’s en donorlanden hebben het omstreden onderwerp slechts verder opgeblazen. Terwijl activisten als Mugisha via stille diplomatie hun doelen proberen te bereiken, zijn Westerse overheden door hun korting op ontwikkelingshulp en hun felle prohomostandpunt nu juist de pressiemiddelen kwijt.

Intussen staan mijn vrienden met de rug tegen de muur. Na jaren van strijd en hoop hebben zij nu geen vangnet om op terug te vallen.

    • Monique Samuel