Wereldwijze omgang met ons aller geheimen

15 februari 2014 – Hoeveel democratie kan je opzij zetten om de democratie te beschermen? Hoe geheim moet het werk van de geheime diensten zijn? Kan het parlement zonder schade genoeg geheims weten om namens ons toezicht te houden? Hoe voorkom je dat geheimzinnigheid dekmantel wordt voor onverschilligheid, onnozelheid of zelfs  regelrechte schending van onze

15 februari 2014 - Hoeveel democratie kan je opzij zetten om de democratie te beschermen? Hoe geheim moet het werk van de geheime diensten zijn? Kan het parlement zonder schade genoeg geheims weten om namens ons toezicht te houden? Hoe voorkom je dat geheimzinnigheid dekmantel wordt voor onverschilligheid, onnozelheid of zelfs  regelrechte schending van onze persoonlijke levenssfeer?

Dat waren vragen die dinsdag niet werden besproken in het debat over minister Plasterk en zijn omgang met de afluisterfeiten. In november had hij op de televisie bezworen dat ‘onze’ diensten niet die 1,8 miljoen telefoongegevens hadden verzameld waar klokkenluider Snowden over berichtte. Gedwongen door een rechtszaak, aangespannen door bezorgde burgers, biechtten de minister en zijn collega van Defensie vorige week de waarheid op: We waren het zelf. Sorry Amerika.

Waar die 1,8 miljoen door de Nederlandse diensten opgezogen metadata op sloegen, bleef weer onbesproken. Het zijn wel heel veel gesprekken of gespreksgegevens. Dat kan moeilijk allemaal met verweggistan te maken hebben. Wedden dat er een heleboel gewone Nederlandse gesprekken bij zaten?

Dat zou niet erg hoeven zijn, als je er van op aan kon dat de wet naar letter en geest was toegepast, als je erop kon rekenen dat de wet greep heeft op de technische werkelijkheid van 2014, als leidinggevenden bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, hun ministers en de commissie die toezicht houdt op de diensten (CTIVD) allemaal scherp hun blik op noodzaak en evenredigheid van deze massale stofzuigerij hadden.

Maar we weten het niet. En hebben weinig aanleiding erop te vertrouwen.

Dan voelt zo’n Kamerdebat extra machteloos. Net als het politieke geharrewar dat erop volgde. Het leek een slang die haar eigen staart beet. Het gerucht dat minister Plasterk misschien wel tijdig in de geheime commissie van fractievoorzitters zijn foutje in Nieuwsuur had opgebiecht, werd anoniem in omloop gebracht – een bewijs van de onoplosbare handicap van geheim overleg over geheime diensten met een deel van de Kamer. Iedereen kan na afloop alles erover rondfluisteren. Niemand kan de juistheid openlijk aanvechten. Iedereen verliest gezag.

Het gespin en geblaas na afloop van het Plasterk-debat in de Kamer is niet alleen een poging tot politieke afrekening tussen PvdA en D66. Het illustreert vooral hoe lastig het is effectief democratisch toezicht te organiseren op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Het was Tweede Kamerlid Roethof die in 1967 aandrong op wettelijke regeling van het werk van de diensten en van het toezicht daarop. In 2002 was het zover, de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten was een feit. In de tussenliggende jaren veranderde John Le Carré’s Koude Oorlog-dreiging in de onoverzichtelijke wereld van terrorisme, cyberbendes en bandeloze staten. Het web maakt iedereen spion.

Al in 2004 stelde de evaluatiecommissie-Havermans vast dat de bestuurlijke inbedding van de AIVD, de opvolger van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), verbeterd moest worden. De dienst miste de middelen horend bij de ambities. De AIVD moest opener worden en meer draagvlak creëren. Maar vooral moest de controle op de dienst worden versterkt. De commissie van toezicht moest meer bevoegdheden krijgen.

Vorig najaar werd de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geëvalueerd door de commissie-Dessens. Ook die accepteerde hun bestaan en werkwijze, maar had kritiek op de weigering van de diensten hun archieven na verloop van tijd in het Nationaal Archief open te stellen voor historisch onderzoek. Geheimhouding die het licht blijvend wil buitensluiten.

De commissie constateerde ook dat de commissie van fractievoorzitters (CIVD) een eigen staf nodig heeft, plus  meer uitgewerkte spelregels voor de omgang met  van de minister of  de diensten direct verkregen informatie. Die aanbevelingen klonken vaag. Het gespin van deze week was  er niet mee voorkomen.

In principe is getrapte delegatie van vertrouwen een erkende methode in een democratie. Niet iedere Nederlander kan zich verdiepen in de nieuwe Wet Werk en Bijstand. Daar kiezen we een Tweede en een Eerste Kamer voor. Die wijzen per fractie woordvoerders aan en volgen hun beoordeling meestal bij de stemming. Zo heeft de Tweede Kamer in het geval van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten haar controletaak weer aan de eigen fractievoorzitters gedelegeerd. Met een slot op de mond.

Die laatste delegatie lijkt minder goed te lopen de laatste tijd. Een tijdje terug waren het alleen de voorzitters van drie of vier grote fracties die aan dat geheim overleg meededen. Nu zit er een tiental aan tafel – misschien een getal dat ministers voorzichtiger maakt. Ook een aantal dat gelek iets makkelijker te ontkennen maakt.

Maar het risico van deze getrapte geheimigheid blijft: dubieuze informatie kan worden gewit in de Commissie Stiekem. De overige fractieleden mogen niets horen. Zij kunnen in de gewone vergaderingen van de Kamer naar de (voor hun voorzitters) bekende weg vragen. Zonder echt antwoord te krijgen.

Bij de bespreking van het rapport-Dessens zal de Kamer zich grondig moeten afvragen of die geheime informatie voor enkelen per saldo een goed idee is. Misschien is het heilzamer de externe commissie van toezicht op de diensten (CTIVD) meer tanden en onafhankelijk gezag te geven. Wat we nodig hebben, zijn  begenadigde lastpakken zoals de laatste Nationale Ombudsman. Democratisch toezicht is geen franje.

opklaringen@nrc.nl; twitter: @marcchavannes

    • Marc Chavannes