Veelzaamheid, dat is pas erg

‘Eten is de seks van nu’, zegt schrijver Midas Dekkers bij een uitsmijter en een jonge jenever. ‘Maar na het strottenklepje interesseert het ons niet meer.’

Midas Dekkers verklaart zijn boek over ontlasting. „Moeten poepen is de enige gelegitimeerde manier om je te onttrekken aan gezelschap.”

Midas Dekkers (67) stelt zich voor met: „Midas”. Hij hangt zijn jas aan de kapstok, zet zijn plastic tas naast de tafelpoot en gaat zitten. En dan is het stil. Afwachtende blauwe ogen onder rossige wenkbrauwen. Hij schikt zijn ribfluwelen jasje, veegt een denkbeeldig tafelkleedje glad. Ach natuurlijk. Als bioloog praat hij onverholen over seks met dieren, zegt hij rustig dat kleine kinderen net larven zijn en noemt hij fanatiek sporten fascistisch. Maar als Midas zit hij even om woorden verlegen.

We zitten nog wel in zijn biotoop. Café Eik en Linde, halverwege de looproute van Artis, de dierentuin, naar de Hortus, de botanische tuin. „Zijn stukje Amsterdam”, noemde hij het toen we afspraken. Hier kwam hij vijftig jaar geleden als biologiestudent „uitrusten” tussen de colleges door. Met het „allergrootste genoegen” stemde hij in met een lunch, maar hij zei erbij dat hij het normaal gesproken overbodig en zonde van zijn tijd vindt om in een ruimte met slechte akoestiek heel lang te doen over raar eten. Hij eet zoals de bosjesmannen doen. „Ze eten wanneer ze onderweg iets tegenkomen. Hier een knol, daar een pissebed of een handvol zaden.” Hij eet als hij toevallig langs de ijskast komt. Bij Eik en Linde kiest hij, speciaal voor de gelegenheid, de „lunch der lunches”: een uitsmijter met drie eieren en spek. En een jonge borrel met ijs.

Meestal staat hij rond dit tijdstip pas op, zegt hij. „Ik leef volgens cafétijden.” Zijn moeder en stiefvader dreven een petit restaurant, café en hotel met zeven kamers aan de Munt in Amsterdam. „Zo’n kroeg met trijpen kleedjes op tafel en obers met platvoeten. Waar de hardwerkende burgers keurig om vijf uur binnenkwamen, om er na drie uur even keurig, maar aanzienlijk meer bezopen weer uit te komen.”

Hij kijkt om zich heen. Naar de barvrouw die de glazen treetjes van de drankkast poetst, naar de klant die het zich gemakkelijk maakt aan de leestafel en naar de cafékat die om aandacht jengelt. „Het was er een beetje zoals hier. Misschien nog ietsje netter.”

In elk geval, voor drie uur ’s nachts werd er thuis nooit geslapen. Niet door zijn ouders, niet door zijn broer en zussen en niet door Wandert, zoals Midas toen nog heette. „En dan ’s ochtends met slaperige ogen en een lege maag naar de mis op het Sint Ignatiuscollege.”

Nog altijd houdt hij van de rust van de nacht. Hij schrijft, hij leest, hij zapt. „Eenzaamheid is geen last”, zegt Midas Dekkers. Zijn aanvankelijke schroom is verdwenen, nu praat hij weer in volzinnen. „Veelzaamheid, dát is pas erg. Voortdurend onder mensen verkeren, je te moeten aanpassen, geen ogenblik rust en vrede.” Vandaar ook het onderwerp van zijn nieuwste boek De kleine verlossing of de lust van het ontlasten. „Moeten poepen is de enige gelegitimeerde manier om je te onttrekken aan gezelschap. Alleen op de wc ben je ongestoord alleen. Vroeger thuis zat ieder van ons kinderen ten minste een uur op de poepdoos. Deur dicht, haakje op slot. Dat werd gerespecteerd. Alle Donald Ducks die er lagen heb ik zeker zevenentwintig keer gelezen.”

Lijkt me logistiek lastig, zeg ik. Zes kinderen ieder een uur... „Met die van het café erbij hadden we drie wc’s.” Dan weifelt hij even. „Twee van ons telden niet echt mee.” Een oudere zus zat in een tehuis. Een jonger zusje is niet ouder geworden dan acht of negen jaar. Zij werd geboren uit het tweede huwelijk van zijn moeder. „Mijn echte vader had ook een café, in Haarlem. Maar hij was niet zo aardig. Hij sloeg. Mijn moeder ging er met ons en de beste klant vandoor.” Met haar nieuwe man had ze een nieuw café en kreeg ze een nieuw kind. „Dat dus zeer ernstig lichamelijk en geestelijk onvolwaardig was. Kun je je voorstellen wat dat met mijn moeder deed?” Voor het zusje moest een verzorgster komen. Om geld uit te sparen werd de kok ontslagen, moeder ging zelf de keuken in om de „biefstuk, karbonade, nasi, bami en de hele of halve houtsnip (huzarensalade) te bereiden”.

Nee, geen harmonieus gezin, zegt Midas Dekkers. „Maar ik had geen ongelukkige jeugd. De cliëntèle was mijn extended family. De aardige ooms die als de avond vorderde steeds minder aardig werden, en de afstandelijke tantes die allengs aanhaliger werden.” Hij heeft nog altijd een hang naar die geborgenheid van toen. „Moderne gebouwen zijn groot en open. Alles van glas. Men wil transparantie, openheid, overzicht. Maar dat alles druist in tegen de natuur van de mens. Zingen we soms liedjes over dat grote café aan de haven? Nee. Wij hebben behoefte ons te verschuilen. We kruipen op de bank, we verbergen ons onder dekens.” Hij lacht content, anticiperend op de slotzin die nu komt: „In ultimo vinden we die veiligheid en beschutting op het toilet.”

Zevenentwintig jaar heeft Midas Dekkers columns geschreven die hij voorlas op de radio. „Als vanzelf borrelden onderwerpen op.” De onderwerpen die overkookten, werden een boek. Na de boeken over bestialiteit, de vergankelijkheid, sporten en roodharigen gaat het nieuwste dus over alle facetten van ontlasten. „Wat me opviel is dat ons leven is vergeven van geouwehoer over eten. Kookboeken zijn de bijbel, we fotograferen elke hap op ons bord, we reizen kilometers voor een bijzonder stukje vlees.” Eten is de seks van nu, zegt Midas Dekkers. En hij wordt er „gallisch” van. Vooral omdat al die belangstelling voor voeding reikt tot aan de huig. „Na het strottenklepje interesseert het ons niet meer. We willen niet weten hoe die fantastische hors-d’oeuvres veranderen in een mooie drol.”

Ja, poep is vies. Vindt hij ook. Hij heeft elk gaatje van zijn vrouw beroerd en liefgehad, maar om haar nou te zien poepen. Veel te intiem. Hij herinnert zich Margot de Waal, het meisje met wie hij als student getrouwd was. Geweldige meid, hij zou zo weer met haar trouwen. „Op mijn studentenkamer had ik geen wc. Margot kon uiterst behendig op een krant poepen. Na afloop vouwde ze haar uitwerpselen zeer kunstig tot een pakketje, zoals de apotheker vroeger poedertjes inpakte. En de volgende ochtend ging het op de bagagedrager van haar fiets mee, tot aan de eerste vuilnisbak.”

Vlakspoeler

Tegenwoordig woont hij in Weesp, in een voormalig raadhuis. „Met drie toiletgroepen met elk twee wc’s. Mijn vriendin gebruikt een groep, ik een andere, en de derde is voor gasten.” Hij heeft net alle wc’s laten vervangen, zegt hij. En dan volgt een welbespraakte lofzang op de vlakspoeler, een wc met een plateau. „In een oogopslag zie je wat het lichaam verlaat. Wie weten wil of het lichaam goed functioneert, inspecteert wat het lijf verlaat. Bij een oude auto controleer je niet de benzine die erin gaat, maar wat er uit de uitlaat komt. Witte rook: te veel water.” Dus: „Een vlakspoeler biedt eerstelijnsgezondheidszorg.” En: „Mensen zouden wat meer aandacht moeten hebben voor het porseleinen bord achter zich.”

We „verneinen” onze stoelgang, zegt hij. „Onze belangstelling gaat altijd uit naar wat nieuw is, naar wat begint. Het nieuwste snufje, een pasgeboren baby. Ik ben vaak gevraagd een tentoonstelling te openen, maar nog nooit om er een te sluiten. Het einde, hoe het afloopt, heeft zijn aantrekkelijkheid verloren.”

Waar iedereen altijd aan de voorkant staat, staat Midas Dekkers graag aan de achterkant. Want, er gaat niets boven het genoegen van een flinke poep, citeert hij Balzac. In de voorbereiding van De kleine verlossing merkte hij hoe schaars de literatuur over het onderwerp was. „We praten én we schrijven er niet over.” Wat hielp, was de dood van Gerrit Komrij, groot boekenverzamelaar, en in het bezit van een bibliotheek scatologie (de studie van ontlasting). „Ik naar veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem. Geen mens wilde die vieze boeken hebben. Ja, een paar vieze, oude mannetjes boden op de bibliofiele uitgaven. Maar voor de rest... Steeds twee, drie vingertjes in de lucht. Hooguit. Had ik weer voor twintig, dertig euro een stapeltje.”

De kleine verlossing is een lijvig boek geworden. Meer een cultuurhistorie dan een biologieboek. „Boekhandels weten nooit waar ze mijn werk moeten neerzetten. Bij de keten die net failliet is, hadden ze het slim aangepakt. Een speciaal plankje Midas Dekkers.” Hij is, zegt hij, een generalist. „Ik hoor nergens bij.” En daar geniet hij van. „Bij lezingen zijn er altijd twee soorten mensen die een vraag stellen. Staat er een vrouw op van zekere leeftijd, dan weet ik dat ze zal vragen: waarom hebben mannen tepels? Staat er een man op, dan wordt de vraag gegarandeerd: ‘Heel interessant allemaal wat u vertelt. Maar méént u dat nou allemaal?’” Hij wrijft in zijn handen. „Dán ben ik goed bezig. Dan is het me gelukt de schroeven los te draaien.”

Na elk boek neemt hij zich voor nooit meer aan een nieuw te beginnen. „Toen ik vijftig werd, schreef ik een boek over vergankelijkheid. Ik hoop negentig te worden, dus ik heb nog even.” Negentig? „Ja, dat is wel erg oud, hè.” Zijn moeder, of liever „de botjes en het velletje waarin ze op het laatst nog zat”, is 95 geworden. „Puntje van haar neus tegen haar kin omdat ze haar gebit niet in wou. Haar schaamteloosheid. Bijna nog genanter dan mensen zien poepen.” Nee, zo oud worden is geen fijn vooruitzicht. „Misschien moet ik niet te lang meer wachten.” Wat hij overweegt is om, bij wijze van afscheid, een boek te maken over de laatste oude bruine cafés die er nog bestaan. Dikke Miet in Aarle-Rixel. De Petomaan in Amersfoort. „Wie verzon in vredesnaam die naam?” Een petomaan is een scheetkunstenaar.

Het café van zijn ouders bestaat niet meer. „Mijn stiefvader was zijn eigen beste klant, die heeft de tent verzopen. Een zus, een broer en ik hebben lang overwogen het over te nemen, maar we zagen er toch van af.” En zo vergaat het de meeste bruine kroegen. Jammer? Nee hoor, monkelt hij. „Ik accepteer inmiddels dat de wereld waarin ik ben opgegroeid en veel van wat ik mooi vind, naar de klote gaat.” Een korte flikkering van zelfspot in zijn ogen. „Hoe langer ik wacht met dat boek over cafés, hoe minder werk het is.”