Punksters die Poetin pesten

In twee jaar tijd werd vrouwenpunkgroep Pussy Riot een begrip in het protest tegen het regime van Vladimir Poetin. Journaliste Masha Gessen beschrijft in haar nieuwe boek hoe dat mogelijk was.

Leden van Pussy Riot, onder wie Nadja Tolokonnikova (met de blauwe balaclava) werden op 19 februari belaagd in Sotsji

Iedere Ruslandexpert wist dat na de Godsvrede van de Winterspelen in Sotsji Vladimir Poetin opnieuw zijn tanden zou laten zien. Niet alleen in Oekraïne, maar ook in eigen land. Afgelopen maandag, nog geen dag na het doven van het Olympisch vuur, werden in Moskou zeven deelnemers aan het Bolotnaja-protest van 6 mei 2012, waar 100.000 Russen tegen Poetin betoogden, tot lange gevangenisstraffen veroordeeld wegens openlijke geweldpleging tegen de politie. Dat die politie het geweld zelf had uitgelokt woog in dat door het Kremlin gedicteerde vonnis natuurlijk niet mee.

Nog dezelfde avond gingen in Moskou een paar duizend betogers de straat op om tegen die uitspraak te protesteren. Vijfhonderd van hen werden gearresteerd, onder wie anti-corruptieblogger Aleksej Navalny en twee inmiddels wereldberoemde leden van vrouwenpunkgroep Pussy Riot, Nadja Tolokonnikova en Maria Aljochina. Navalny werd gisteren tot eind april huisarrest opgelegd. Ook mag hij geen internet gebruiken.

Tijdens een van de laatste dagen van de Winterspelen was Pussy Riot ook al groot in het nieuws, toen de groep in Sotsji opdook met het lied ‘Poetin zal jullie leren om van het Moederland te houden’. Meteen werden de punkvrouwen met hun gekleurde bivakmutsen besprongen door beveiligers, onder wie kozakken die hen met de zweep sloegen. Ze krijsten het uit. Een dag later plaatsten ze een spectaculaire videoclip van hun mishandeling op YouTube en had het Poetinregime het nakijken.

Het was een typische Pussy Riot-actie en een perfect vervolg op hun laatste grote optreden: het ‘punkgebed’ in de Moskouse Christus Verlosserskathedraal, waarin de vrouwen de Maagd Maria opriepen hun land van Poetin te verlossen. Voor dat ‘concert’, dat als videoclip op YouTube werd uitgezonden, kregen Tolokonnikova en Aljochina twee jaar gevangenisstraf. Kat Samoetsevitsj, het derde lid van de groep dat kon worden gearresteerd, werd in hoger beroep vrijgesproken.

In december 2013, twee maanden voordat hun straf afliep, werden Tolokonnikova en Aljochina ineens vrijgelaten. Volgens eigen zeggen was het een pr-stunt van Poetin aan de vooravond van Sotsji om het Westen mee te paaien. Sindsdien zijn de twee jonge vrouwen nationale en internationale beroemdheden en hebben ze een echte sterrenstatus. Waar er in Rusland ook geprotesteerd wordt, overal duiken ze op. Ze lijken zich zelfs bijna met plezier te laten arresteren, omdat ze weten dat de schijnwerpers van de wereldpers op hen gericht zijn.

De relatief snelle opkomst van Pussy Riot, dat in nog geen twee jaar tijd van een paar obscure feministische punkers in een serieuze en invloedrijke activistengroep is veranderd, moedigde onderzoeksjournaliste Masha Gessen aan om een ‘biografie’ van dit fenomeen te schrijven. Net als haar Poetinbiografie De man zonder gezicht (2012) is het resultaat ook dit keer een mengeling van een levensbeschrijving en een politiek pamflet. Het lijkt vooral bedoeld te zijn om de wereld te laten zien hoe onverschillig, onbarmhartig en wreed het regime van Poetin tegen zijn tegenstanders optreedt. In dat opzicht moet vermeld worden dat Gessen zelf in december 2013 Rusland ontvluchtte, omdat ze zich er als lesbienne met vrouw en drie kinderen niet meer veilig voelde onder de nieuwe anti-homowetgeving.

Intellectuele groei

Gessen had haar boek al voltooid in oktober. Toen Tolokonnikova en Aljochina twee maanden later ineens vrijkwamen, voegde ze er een naschrift aan toe. Het doet echter niets af aan haar verhaal, dat gebaseerd is op interviews met zowel de bekende als de anonieme Pussy-Riotleden, hun familieleden en hun advocaten. Een absolute meerwaarde van haar boek is bovendien dat Gessen de slotverklaringen van Tolokonnikova en Aljochina tijdens hun protest integraal weergeeft, waardoor je je in een Kafkaëske rechtszaal waant.

Omdat Gessen het hele Pussy-Riotproces zelf heeft bijgewoond, beschikt ze over een schat aan absurdistische waarnemingen, die laten zien hoe de rechterlijke macht en het OM een verdachte nooit serieus nemen. Alleen dat al laat zien hoe perfide het Russische rechtsysteem is. Die toespraken laten ook zien hoe de twee jonge vrouwen zich tijdens hun gevangenschap intellectueel hebben ontwikkeld van punkactivisten, die zich traditioneel tegen iedere overheid afzetten, tot potentiële ideologische leiders van een nieuwe protestbeweging die een einde wil maken aan de systematische onderdrukking in hun land.

Ook probeert Gessen haar boek een diepere laag mee te geven door de justitiële vervolging van Pussy Riot te vergelijken met die van dissidenten tijdens de Sovjet-Unie. Opvallend daarbij is dat ze om gelijk te krijgen Nadja Tolokonnikova in de gevangenis een exemplaar heeft toegestuurd van Wat ik zeggen wou , de memoires van dissident Anatoli Martsjenko, die tijdens de Sovjet-Unie vijftien van zijn achtenveertig levensjaren in strafkampen en gevangenissen doorbracht en uiteindelijk in 1986 aan een hongerstaking overleed.

Martsjenko heeft diepe indruk op Tolokonnikova gemaakt. Dat kun je onder meer aflezen uit de verklaringen die ze in de rechtbank heeft afgelegd, waarin ze haar kritiek op het regime behalve van een politiek ook van een cultuurfilosofisch kader voorziet. Ze beroept zich daarbij op Andrej Sinjavski, een van de eerste Sovjetdissidenten, en op de dichter Josif Brodski, die in een toespraak na ontvangst van de Nobelprijs voor Literatuur zei: ‘Hoe breder de esthetische ervaring van een individu, hoe gefundeerder zijn smaak, en hoe sterker zijn morele kompas, des te vrijer – ofschoon niet per se gelukkiger – hij is.’ Met die woorden schaarde Brodski, en dus ook Tolokonnikova, zich aan de zijde van de schrijver Anton Tsjechov, die meende dat je alleen maar door schoonheid na te streven en hard te werken een betere samenleving kunt opbouwen.

Gessen begint haar boek met een verslag van haar bezoek aan het strafkamp in de provincie Mordovië, waar Tolokonnikova in de zomer van 2013 zit opgesloten. Ze reist erheen samen met de vader, de echtgenoot en het dochtertje van de punkactiviste.

Voor het eerst in tijden mag Pjotr zijn vrouw weer omhelzen; tijdens eerdere bezoeken mochten ze elkaar niet eens vasthouden. Tolokonnikova heeft dan al de nodige gruwelen in de gevangenis doorstaan en gezien. Het is bijna een wonder dat ze nog in leven is. Niet voor niets zullen zowel Tolokonnikova als Aljochina na hun vrijlating de provincie Mordovië één groot strafkamp noemen.

Gessen benadrukt dat laatste in haar verslag, door een vergelijking te maken van het Russische strafsysteem met dat van zowel de Sovjet-Unie als van de nazi’s. Als ze boven de ingang van een ander kamp de spreuk ‘Wie wil werken vindt de middelen. Wie niet wil werken vindt een excuus’ leest, wordt ze op haar wenken bediend. De link naar ‘Arbeit macht frei’ is zo gelegd.

Portretten

Na haar verslag van dat bezoek aan het strafkamp beschrijft Gessen de wordingsgeschiedenis van Pussy Riot. Ze doet dat door de drie hoofdrolspelers uit de groep te portretteren aan de hand van hun persoonlijke geschiedenis. Het levert een onthutsend beeld op van vrouwen die afkomstig zijn uit gebroken, asociale of anderszins ontregelde gezinnen.

De geschiedenis van Tolokonnikova doet in veel opzichten denken aan de biografieën van negentiende-eeuwse revolutionairen. Ze wordt in 1989 geboren als kind van een arts die kunstenaar wil zijn en, net als haar moeder, drankverslaafd is. Haar leven is typerend voor dat van veel Russische jongeren die geboren zijn ten tijde van de nadagen van de Sovjet-Unie, toen alle zekerheden verdampten en alleen de fles uitkomst bood.

Nadja is een briljante leerlinge op school, leest de grote filosofen, gaat al op jonge leeftijd in Moskou studeren en krijgt, al even jong, een kind van haar medestudent Pjotr. In Moskou sluiten beiden zich aan bij het kunstenaarscollectief Vojna (Oorlog) dat door middel van ludieke acties de maatschappij wil hervormen en felle kritiek uitoefent op het autoritaire regime van Poetin.

Als Vojna na interne ruzies uiteenvalt en er in december 2011, na afloop van de vervalste parlementsverkiezingen, in Moskou voor het eerst massaal tegen die fraude gedemonstreerd wordt, richt Nadja samen met een paar vrouwen Pussy Riot op. Hun muziek lenen ze van de Britse groep Angelic Upstarts. Hun teksten liegen er niet om en geselen het regime. ‘Bevrijd de straatstenen’ heet het lied waarmee ze beroemd worden. ‘Het is nooit te laat het heft in handen te nemen./ Wapenstokken zijn opgeladen, het geschreeuw wordt luider./ Strek de spieren van je armen en benen / En de politieagent zal je tussen je benen likken.’ Dan volgt een oproep om het Rode Plein in Tahrir te veranderen. En daarmee is de toon gezet.