‘Pedoseksuelen recidiveren niet zo snel als andere delinquenten’

Dat stond op 26 mei in nrc.next.

De aanleiding

Staatssecretaris Teeven pleit ervoor sommige veroordeelde pedoseksuelen levenslang te volgen. Strafrechtadvocaat Job Knoester is niet onverdeeld positief, vertelt hij maandag in het NOS Radio 1 Journaal. Hij denkt dat sommige verdachten onderzoek kunnen weigeren, omdat ze niet levenslang gevolgd willen worden. En het is niet altijd nodig, zegt hij. „Pedoseksuelen zullen niet zo snel in herhaling vallen als een heel grote groep andere delinquenten.” Dat gaan we checken.

En, klopt het?

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie houdt misdaadcijfers in Nederland bij. We kijken allereerst hoe pedoseksuelen zich verhouden tot andere zedendelinquenten. Over het algemeen – want over individuele gevallen kun je aan de hand van deze cijfers niets zeggen – blijkt zowel uit Nederlands als buitenlands onderzoek dat daders met slachtoffers jonger dan zestien jaar minder snel opnieuw in de fout gaan dan daders met slachtoffers boven de zestien. Dat bleek bijvoorbeeld uit onderzoek van H.J.M. Schönberger en collega’s (2008). Bij de eerste groep was de recidive 13 procent, bij de tweede 17 procent. De proefpersonen werden in dit onderzoek gemiddeld tien jaar gevolgd.

In een andere Nederlandse studie (Vogel, 2005) werden 27 zedendelinquenten met slachtoffers van jonger dan 16 jaar en 95 daders met slachtoffers van 16 jaar en ouder gevolgd. „Van de ‘pedoseksuele’ daders recidiveerde 33 procent en van de laatste groep 59 procent met een seksueel delict.”

Er zijn uitzonderingen. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld ook dat daders die kinderen van buiten de eigen familiekring als slachtoffers uitkiezen juist weer een groter recidiverisico hebben.

Maar hoe zit het met recidive in vergelijking met andere groepen delinquenten? Toenmalig minister van Justitie Donner maakte in 2004 een overzicht op basis van WODC-cijfers naar aanleiding van Kamervragen over recidive van zedendelinquenten. Gegevens over deze daders werden vergeleken met die van plegers van verkeersmisdrijven, agressiedelicten en overtredingen van de Opiumwet. Daaruit blijkt dat de ‘algemene recidive’ (nieuw contact met justitie naar aanleiding van een nog niet eerder gepleegd misdrijf) bij zedendelinquenten lager ligt dan die bij daders van de andere genoemde delicten. En de ‘speciale recidive’ (nieuw contact met justitie voor hetzelfde soort misdrijf) ligt bij zedendelinquenten zelfs veel lager.

Om even de orde van grootte van verschillende delicten te schetsen: in 2009 had 32 procent van de daders een verkeersdelict gepleegd, 14 procent een geweldsdelict, en drugdelicten kwamen bij 6 procent voor. 0,4 procent van de daders pleegde zedendelicten. Uit die vergelijking die minister Donner opstelde, blijkt dat na vijf jaar 41 procent van alle zedendelinquenten opnieuw contact heeft gehad met justitie. Voor de duidelijkheid: dat hoeft dus niet met een zedenmisdrijf te zijn.

Bij grote groepen delinquenten ligt de recidive dus hoger. Maar er zijn natuurlijk ook delicten waar er nog veel minder gerecidiveerd wordt. Bij moord bijvoorbeeld. Zoals nrc.next kortgeleden nog checkte, is de kans dat iemand dat nog een keer doet bijna nul.

Conclusie

Uit cijfers blijkt dat mensen die een pedoseksueel misdrijf plegen over het algemeen minder snel opnieuw in de fout gaan dan andere zedendelinquenten, al zijn er altijd uitzonderingen. Ook blijkt dat bij zedenmisdrijven de recidive vaak lager is dan bij gewelds-, drugs- en verkeersmisdrijven. De uitspraak dat pedoseksuelen minder vaak in herhaling vallen dan een heel grote groep andere delinquenten beoordelen we daarom als waar.