Naar een lerend kabinet – dat adviezen serieuzer neemt

Gepaste ongerustheid, dat adviseerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vorig jaar november in zijn rapport Naar een lerende economie. In het rapport gaat de WRR op zoek naar het Nederlandse verdienmodel voor de toekomst, in een wereld die dynamisch en onvoorspelbaar is. Daarbij ligt de nadruk terecht op onderwijs: het voorbereiden van de jongste generaties op de economie van straks, en het aanleren van de oudere generaties om zelf te blijven veranderen en leren.

Dat is overigens nog niet eens de sterkste kant van het rapport. Wie zelf, als moderne, lerende mens, een stoomcursus economie zou willen volgen die met name gericht is op de plaats van Nederland daarin, zou het WRR-rapport zonder veel problemen als enige op het curriculum kunnen zetten. De rijkdom van de analyses is groot, er is aandacht voor de geschiedenis en het is begrijpelijk en leesbaar opgeschreven. Het rapport was de vrucht van meer dan tweehonderd gesprekken met deskundigen en mede gebaseerd op een groot aantal casestudies in andere westerse landen.

Twee aanbevelingen van de WRR hebben de meeste aandacht gekregen: de oproep om het lerarencorps te beperken tot mensen met een universitaire mastertitel. En een voorzichtige afwijzing van het topsectorenbeleid van het kabinet, dat zich beperkt tot negen onderscheiden sectoren waar de economie het in toekomst van moet hebben.

Donderdag kwam de reactie van het kabinet-Rutte, bij monde van de ministers Kamp (Economische Zaken, VVD) en Bussemaker (Onderwijs, PvdA). Hun boodschap: het onderwijs is al op de goede weg, hbo’ers kunnen ook zeer adequaat zijn voor de klas en het topsectorenbeleid is net ingezet, dus dat gaan we niet veranderen. Bussemaker vroeg zich hardop af of de WRR niet zélf in het verleden leeft. Ook de reactie op het rapport in de brief die het kabinet naar de Kamer stuurde, oogt vermoeid.

De problematiek is intussen breder dan het discours doet vermoeden. Wie langer dan vier jaar vooruit durft te kijken, komt bij elementaire vraagstukken terecht. Of in de toekomst de baan moet worden beschermd of de burger. Of het poldermodel de beste manier blijft om problemen te lijf te gaan. In hoeverre Nederland Duitslands industriële strategie moet kopiëren of daar een juist complement voor moet zijn.

Flexibiliteit moet hier de boventoon voeren, zelfvertrouwen in de eigen economie en samenleving, zonder dat dit doorschiet in zelfvoldaanheid. We weten niet hoe de wereld er over twintig jaar uitziet. En dat betekent dat een beleid dat generiek is, dat de voorwaarden schept voor bloei zonder die vooraf al te willen benoemen en te positioneren, de beste weg is.

Wie 25 jaar vooruit wil kijken, moet als gedachtenoefening eens 25 jaar terugkijken. Geen internet of mobiele telefoon, een vallende Berlijnse muur, China dat nog nergens te bekennen is. Het aantal veranderingen in zo’n tijdspanne is duizelingwekkend. De beste voorbereiding is om een zo goed mogelijk fundament te leggen. Maar gebeurt dat wel? Tegenover de „gepaste ongerustheid” daarover die de WRR aanbeveelt, stelt het kabinet evenwel een ongepaste geruststelling. Met name de badinerende toon valt hier bij op, gekruid met een nauw verholen irritatie. Alsof elke kritiek op de inrichting van de Nederlandse economie en samenleving meteen een aanval is op het kabinetsbeleid, en elke aanbeveling een poging tot betweterij.

Dat mag misschien de manier zijn om de oppositie tegemoet te treden, het is niet de wijze waarop een kabinet moet omgaan met zijn eigen, bij wet ingestelde raadgever. Die oppositie krijgt overigens haar kans in een debat over het rapport, komende donderdag. Dan kan zij meteen reageren op het voornemen van minister Blok (Rijksdienst, VVD) om de huidige reactieplicht van het kabinet op dit soort rapporten af te schaffen. Het is te hopen dat het niveau van dat debat hoger is dan dat van de kabinetsreactie tot nu toe. Het is de taak van de WRR om de regering wetenschappelijke informatie te leveren over ontwikkelingen op lange termijn. Het is aan de politiek om daarop met een reactie te komen die fundamenteel verder reikt dan de waan van de dag pleegt toe te laten.