Nederlandse kunstenaar is pretentieuze subsidiejunk

Het Nederlandse discours over kunst is vergiftigd, aldus Johan Simons in NRC van 22 februari. En als kunstcritici hieraan mee doen, dan zal kunst in Nederland uitsterven. Dit naar aanleiding van een vraag van criticus Ron Rijghard op 10 februari in dezelfde krant: „Wat bezielt regisseurs om Dantons Dood van George Büchner op te voeren?” De vraag van Rijghard was uiteraard legitiem. En het geklaag hoeft niet te verbazen, want dezelfde Simons beweerde vorig jaar in Zomergasten dat kunst „boven de cultuur hangt” en er, aldus verheven, commentaar op levert. Halina Reijn, actrice in Dantons Dood, liet zich er een paar jaar terug in Zomergasten op voorstaan hoe haar acteerkunst een spiegel was voor de gewone burgers, implicerend: die reflecteren immers zelf niet, daar zijn ze te dom voor, dat moeten wij voor ze doen. Robert Anker, dichter en schrijver, deed op 15 februari in deze krant zijn eigen duit in de elitaire zak: alleen kunstenaars konden vorm geven aan „frictie”, met hun kunstwerken als „organismen”, „je kunt er naar binnen gaan en je kunt er weer uit lopen”, met onderwijl „de ervaring van een dringende aanwezigheid van het vreemde”, aldus deze zwever. Zie daar onze ‘artistieke elite’. Vergelijk deze met kunstelites waar ook ter wereld. Nergens lijken ze namelijk zo ergerniswekkend verheven en pretentieus. Hebben we hier een uitzonderlijke elite, een stel misplaatste arrogante halfgoden, die in een verziekte subsidiecultuur omhoog is komen drijven? Gezonde concurrentie in de gehate ‘vrije markt’ werd immers verstoord, met als gevolg: losgeslagen subsidiejunks (inderdaad) met invloed, zo wereldvreemd en vol ‘frictie’ dat ze zelf wel wandelende kunst moeten zijn. Deze kunstenmakers doen hun beroepsgroep in ieder geval weinig goed. Ze mogen hun eigen broek ophouden. Je verheven voelen doe je maar op eigen kosten.

Weg met de lijstjesplaag

Nee, de kunst sterft niet zomaar uit. Altijd zullen er gekken rondlopen die zich niets van de indoctrinatie aan zullen trekken dat wij louter ‘homo economicus’ zijn, gedoemd tot brood en spelen.

Toch begin je je langzaamaan af te vragen welke duivel aan de winnende kant is, die van de commercie of die van de ideologische censuur. De situatie is ernstig, zij het niet hopeloos. Johan Simons zou als vers lid van de Akademie van Kunsten een campagne kunnen starten ter bestrijding van de sterren-, ballen- en lijstjesplaag voor de kunsten in de media. Die is beledigend voor kunstenaars, critici en ook voor het publiek dat op die manier voor debiel wordt aangezien.

Sana Valiulina