Applaudisseer tegen de etiquette in!

Het Van Baerle Trio speelt in het Concertgebouw het eerste pianotrio van Mendelssohn. Het slotakkoord is de ultieme apotheose: groots, met strijkstokken die in de lucht zwiepen, het lange geborstelde haar van de violiste zwaait om haar hoofd en de pianist veert met zijn lichaam terug van de vleugel. En dan is het stil. Omdat het zo hoort.

Bij een klassiek concert is de etiquette niet te applaudisseren tussen de delen. Sterker, wie nu een klapje zou wagen, een voorzichtig ‘bravo!’ zou roepen, vreze zijn leven. De zaal zal diegene in zwijgende ziede aankijken of een neerbuigend ‘sst!’ toebijten.

Hoeveel logischer was het als nog in het slotakkoord het applaus was losgebarsten, een ruis tussentijdse waardering.

Zou dat niet alleen menselijker zijn, maar daarbij minder hinderlijk dan het krampachtig zwijgen? Ik ken de regels, ik weet ook hoe superieur het voelt als je merkt dat anderen de regels niet kennen. En hoe je als musicus denkt over publiek dat spontaan klapt na het eerste deel: schattig, maar dom.

Maar als de regels in de klassieke muziek er zijn om de elite te onderscheiden, dan verliezen we uit het oog dat muziek er in de eerste plaats is om ons te raken. Daarbij sluit je onwetende liefhebbers buiten. Als de reden om niet te klappen is omdat de delen bij elkaar horen, dan is dat een relatieve regel – hij bestond niet ten tijde dat de stukken werden geschreven.

Publiek: kom tot leven. Levende muziek vraagt om levend publiek.