Gedichten Gods of de vergrijpstuiver

Tragedie van de Siamese paus van een Kerk die de straf voor seksueel misbruik ontloopt, door A.F. Th. van der Heijden.

Alles begint met een beeld. In het duistere, middeleeuwse verleden van pausen, tussenpausen en tegenpausen zullen de Heilige Vaders van Rome en Avignon elkaar zeker niet innig omhelsd hebben. Maar wat niet was, kon nog komen, en in het zesuurjournaal van 23 maart 2013 was het zover: de zojuist gekozen paus Franciscus I en de iets eerder teruggetreden paus Benedictus XVI in stramme accolade voor het pauselijk buitenverblijf te Castel Gandolfo. Een onbestaanbaar geacht beeld, want volgens het strenge reglement van de Kerk kon een nieuwe paus alleen een dode paus opvolgen. Ze droegen allebei het smetteloos witte pausgewaad, met dit verschil dat de zwakke en kouwelijke Benedictus in plaats van het witte schoudermanteltje een wit, gewatteerd huisjasje droeg, waar het stiksel in diagonale banen overheen liep, aldus lichtelijk opbollende, ruitvormige kussentjes vormend, als bij de nylon peignoir van wijlen mijn tante, maar dan zonder bakspetters en eiervlekken. Alles even onbezoedeld als de onfeilbare pauselijke ziel. Ziedaar het oerbeeld van het virtuele toneelstuk dat ik voor u wil neerzetten.

In het eerste bedrijf moeten we het belangrijkste personage zien te mangelen in een dilemma gruwelijk als een martelwerktuig, anders hebben we geen drama. Het hoofdkarakter is hier een tot paus uitverkoren theoloog van Duitse afkomst: Benedictus. Het doek gaat op boven Vaticaanstad, waar we de Heilige Vader in zijn dagelijkse leven zien, geplaagd door uiteenlopende problemen, zoals daar zijn: intriges binnen de curie; een corrupte bank waar de maffia in en uit loopt; een onbetrouwbare pauselijke butler die geheime documenten naar de pers laat lekken (de zogenaamde Vatileaks: mooi, dat dubbelzinnige Vati); en een zwellende modderstroom aan onthullingen over seksueel misbruik door priesters en andere dienaren binnen de instituten van dekatholieke kerk, vooral in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Reken daarbij een hoge ouderdom en een broze gezondheid, en het zal de theaterbezoeker duidelijk zijn dat hier een paus onder de druk der omstandigheden aan het bezwijken is. Zijne Heiligheid, met permissie, voelt zich gesloopt.

Vooral de rapporten over het misbruik van minderjarigen benemen Benedictus letterlijk de adem. In Amerika gaat het om miljoenenschikkingen. In Ierland is men nog bezig de onderste steen boven te halen. Duitsland, zijn geboorteland: verbijstering alom. In België blijken de bisschoppen zelf, de rokken opgeschort, zich niet onbetuigd te hebben gelaten. In Polen zijn de kasten vol lijken nog maar net opengebroken, en stapelen de schandalen zich als kadavers op. En dan Nederland... daar jammert een van Benedictus’ eigen kardinalen voor honderdduizenden televisiekijkers, met een refrein ontleend aan het tribunaal van Nürnberg ‘wir haben es nicht qewusst’ – terwijl de bewijzen zich opstapelen dat de vertegenwoordigers van de Nederlandsekatholieke kerk er wel degelijk van geweten hebben. ‘Wir haben es nicht gewusst.’ Godallemachtig, de roetwolken van de doofpot slaan de Heilige Vader op de keel.

De paus wankelt. De Heilige Stoel wankelt. De butler schuift een bierviltje onder de ongelijke poot, maar het mag niet baten.

Natuurlijk duikt in dit stadium van gestage afbraak al zo af en toe een goedwillende, behulpzame Argentijnse kardinaal op, die de getergde Benedictus van advies dient om de veranderende tijden het hoofd te kunnen bieden. De lijst van goede raad is schier eindeloos: de tegennatuurlijke liefde en het homohuwelijk, aids en condoomgebruik, kruisdood en antisemitisme, abortus, periodieke onthouding (ook van alcohol)... Pièce de resistance van de goede raad is uiteraard: hoe de eindeloze stoet internaatsleerlingen het hoofd te bieden, die schoorvoetend hun klacht komen deponeren, met dat ten dode toe misbruikte kind rottend in zich.

De dag nadert dat hij zich over het wereldwijde misbruik, door zijn eigen dienaren, zal moeten uitspreken. De Heilige Vader kan het niet aan. Hij wou wel dood zijn, maar hij is niet dood, en kan nog vele jaren op sterven na dood zijn. Zichzelf uit het leven wegnemen dan, om op die manier zijn zetel af te staan aan een rechtmatige opvolger? Kan hij het die opvolger aandoen de plaats van een zelfmoordenaar in te moeten nemen – een Judas Iskariot, die niet eens in de gewijde grond van het Vaticaan zou mogen rusten?

Zo raakt Benedictus steeds meer bekneld in de nijpende vork van zijn dilemma. Door met emeritaat te gaan zou hij zondigen tegen de heilige regels van de Moederkerk, en haar daarmee blijvend ontwrichten.

Van de andere kant... als Benedictus in heel zijn uitgeputte wankelmoedigheid de Heilige Stoel blijft bekleden, zal hij de Kerk niet minder blameren, vooral door niet adequaat te reageren op het almaar groeiende en dooretterende misbruikprobleem.

In het tweede bedrijf zien we een wanhopige en almaar verder verzwakkende Benedictus tasten en mistasten naar een oplossing voor zijn grote probleem: de onmogelijkheid om in zijn huidige conditie en onder de gegeven omstandigheden de rooms-katholieke multinational te blijven leiden.

De artsen rond zijn bed proberen met medicijnen en geflatteerde diagnoses de gezondheid van Zijne Heiligheid op te krikken. De curie, streng in de leer, vindt dat de paus, zo ziek en zo zwak als hij is, zijn verantwoordelijkheid moet blijven nemen. Voorganger Johannes Paulus had het, door Parkinson schuddend als een olijfboom in de stormwind, toch ook tot het bittere eind volgehouden?

Tot nu toe heeft Benedictus niet echt durven kiezen in het wurgende dilemma. Nu hij niets meer te verliezen heeft, wordt dat anders. Hij doorziet nu pas waarom de curie hem niet wil laten gaan. Een voortlevende ex-paus kan de Kerk laten exploderen. Het is vanaf nu precies wat Zijne Heiligheid wil bewerkstelligen. Zijn emeritaat geeft hem alle macht in handen. Zijn wraak zal wereldgeschiedenis schrijven.

En dan het derde bedrijf, waarin alles tot een ontregelende apotheose gebracht moet worden.

Enkele dagen nadat Benedictus zijn aftreden bekend heeft gemaakt, ontploft boven de Russische stad Tsjeljabinsk, op zo’n vijftig kilometer hoogte, een meteoriet. (U zult het zich nog wel herinneren: de inslag verpulverde al het vensterglas van de stad, en het handjevol materie dat na de explosie van de meteoriet overbleef, sloeg een reusachtig wak in een dichtgevroren meer.) Als Benedictus hoort dat de meteoriet anderhalf miljoen jaar geleden afbrak van de planetoïde 1979NC33, bijgenaamd Kefas, is zijn eerste gedachte: ‘Mijn God, wat heb ik aangericht? Gij slingert in uw toorn de steenrots van Petrus terug naar de aarde.’

Ook de beminde gelovigen beschouwen de inslag als Gods antwoord op het emeritaat van Benedictus, maar leggen het als een gunstig teken uit, eerder nog als een door de terugtredende paus bewerkstelligd wonder. Het volk verzamelt zich op het Sint Pietersplein, en neemt een voorschot op de heiligverklaring van Benedictus, als was hij alsnog gestorven. Het ‘Sancto subito!’ is niet van de lucht. ‘Sancto subito! Subiet heilig!’

Alsof Benedictus is overleden, wordt er naar beste traditie een conclaaf georganiseerd. Kardinalen uit alle delen van de wereld laten zich naar Rome vliegen. Benedictus ervaart het als een vernederende dans op zijn graf – waar hij niet in ligt.

Nooit verliep een conclaaf voorspoediger. Na een hele reeks zure pausen kiezen de kardinalen vrijwel eensgezind voor de joviale en goedlachse Argentijn. Alvorens er witte rook gegeven wordt, verzoekt men de nieuw gekozen paus op de sedes stercoraria plaats te nemen.

Ik vind dat deze marmeren troon het centrale meubel van deze toneelscène moet zijn.

Meestal zal een der kardinalen opgelucht vaststellen: ‘Testicules habet et bene pendentes. Vrij vertaald: ‘Hij heeft zaadballen en ze hangen er goed bij.’

Nu er aan de mannelijke attributen van de Heilige Vader niets blijkt te mankeren, kan er eindelijk witte rook de Romeinse avond in geblazen worden. De balkondeuren gaan open, en daar schalt het bevrijdende ‘Haberous Papam!’ over het Sint Pietersplein. Zijn pseudoniem luidt Franciscus, en hij begroet de wereld met een ‘buona sera’, een ‘goeienavond’ – en daarmee is de toon gezet. Een onvervalste paus des volks, een paus van de behoeftigen en verdrukten, die zelf voor nederigheid kiest.

Een woordvoerder van het Vaticaan bevestigt tegenover de pers dat ‘Zijne Heiligheid Benedictus’ (die blijkbaar onveranderlijk met ‘Zijne Heiligheid’ wordt aangeduid) ‘vrij mag blijven rondlopen in Vaticaanstad’. Hij zal het witte pauselijke gewaad met schoudermanteltje en schedelkap niet hoeven afleggen.

Om de nieuwe paus niet voor de voeten te lopen, en om zich te beraden op zijn nieuwe positie, heeft Benedictus zich teruggetrokken in het pontificale buitenverblijf te Castel Gandolfo. Daar komt spoedig, per helikopter, Franciscus zijn voorganger opzoeken, om de lopende zaken te bespreken. Ze omhelzen elkaar voor het oog van de camera. Als ze de beelden later die dag op televisie terugzien, zegt Franciscus schertsend, met een brede grijns: „Samen zijn wij die ene paus... maar met twee gezichten”.

„Een Januspaus” gaat Benedictus er raadselachtig op door. „Een paus van begin en einde. Van toegangspoort en achterdeur. Van oud en nieuw. Van oorlog en vrede. Samen, Heilige Vader, zijn we gedoemd zowel voor- als achteruit te kijken.”

Ze drinken thee. Bij elk binnentreden van een personeelslid van het paleis knielt Franciscus neer om de man of de vrouw van schoeisel te ontdoen en de voeten te wassen met behulp van een servet en water uit de karaf – dit tot bevreemding van de scheidende paus. Ten slotte troont Benedictus zijn opvolger mee naar een marmeren vertrek, waar een fraai bewerkte eikenhouten biechtstoel staat, met purperen gordijntjes.

„Heilige Vader”, spreekt Benedictus tot zijn opvolger, „u zoudt mij zeer verplichten door mij, aan het einde van mijn pontificaat, de biecht af te nemen.”

„Dat had ik juist aan u willen vragen,” zegt Franciscus, „om dat aan het begin van mijn pontificaat te doen.”

„Laat ons dan, Heilige Vader”, stelt Benedictus voor, „elkaar de biecht afnemen”.

„Ik ben net nieuw hier”, zegt Franciscus. „Ik weet niet of de regels van de Kerk dit toestaan.”

„U als aantredend paus... ik als aftredend paus...” houdt Benedictus zijn opvolger voor. „Totdat de curie anders beslist, zijn we samen onfeilbaarder dan een paus alleen. Wij bepalen de regels.”

Aldus geschiedt. De beide Heilige Vaders nemen plaats in de biechtstoel, en treden afwisselend op als biechtvader en biechteling, waartoe ze regelmatig moeten opstaan, om met fladderend gewaad om de biechtstoel heen te lopen en elkaars plaats in te nemen – wat ze dan soms, in de opwinding van de wederzijdse verwijten en ontboezemingen, weer vergeten, zodat ze voor even allebei tegelijk biechtvader dan wel confessant zijn.

Dit levert mooi toneel op, dat ik u helaas binnen het bestek van deze lezing niet allemaal kan laten zien.

Ze hebben afgesproken te beginnen met het wederzijds opbiechten van hun persoonlijke zonden („Dan hebben we dat gehad”), om vervolgens hun respectieve visies op de zonden van de Kerk aan bod te laten komen. Benedictus bewaart nog wat verzwegen akkefietjes uit de Tweede Wereldoorlog in zijn mouw. Franciscus bekent dat hij onder de junta niet altijd zijn handen schoon heeft weten te houden. „Wat wilt u, Heilige Vader, tijdens een Vuile Oorlog?”

Benedictus vraagt of zijn penitent nog onkuisheid heeft bedreven, al dan niet in commissie met derden. En dan komt het verhaal over María de Buenos Aires eruit. „Maar”, verdedigt Franciscus zich, „die schending van het celibaat heeft me een schat aan informatie over het vijandelijke kamp opgeleverd. Beschouwt u het alstublieft, Heilige Vader, als een gevalletje sleeping with the enemy.”

Als de twee pausen in hun wederzijdse biechtafname zijn aanbeland bij de vuigste zonde ooit door hun Kerk bedreven, wordt er in de biechtstoel ongemakkelijk geschoven en gedraaid. De Heilige Vaders willen er niet aan. Franciscus blijft er maar op hameren dat de Kerk meer aan de bestrijding van armoede en onderdrukking moet bijdragen. „Alle mensen”, zo zegt hij, „zijn immers schepselen Gods.”

Benedictus ziet zijn kans waar om de aandacht van het uiterst pijnlijke onderwerp af te leiden door zich weer in theologische muggenzifterijen te begeven. Hij roept: „Gedichten Gods, zal Zijne Heiligheid bedoelen. In de Griekse grondtekst van de betreffende Schriftpassage staat poiémata tou Theofi. Poëmen Gods. Gedichten Gods. Niet schepselen Gods.”

Als er op onze planeet één mensensoort is die, wat mij betreft, tot het dichtwerk van God gerekend mag worden, dan zijn het de kinderen van deze wereld.

Ik heb er zelf een van zeer nabij gekend, zo’n volmaakt en schitterend poëem Gods. Ik heb naast hem geleefd van zijn couveuse tot aan zijn wreed vroegtijdige groeve. Achteraf kan ik dus zeggen dat het gedicht geleidelijk aan, maar altijd nog veel te snel, veranderde van een wiegelied in een grafschrift. Als ervaringsdeskundige ex-vader meen ik te weten hoe weerloos, in heel z’n schoonheid, een kinderziel is – misschien wel op z’n kwetsbaarst tijdens de onberekenbare jaren van de puberteit. En hoe noodzakelijk het is zo’n tere ziel te bewaken en te beschermen.

Mijn vrouw en ik hebben ons bloedeigen poëem Gods godzijdank nooit hoeven uit te besteden aan wat voor kostschool dan ook. Ik kan alleen maar proberen me voor te stellen wat het voor een kind in de puberleeftijd betekent om van het ouderlijk huis losgescheurd te raken en bij strenge wildvreemden geïnterneerd te worden. Tart dat zelfs al de soepelste verbeeldingskracht, alle verstand te boven gaat de voorstelling dat zo’n opgroeiend kind, op weg naar geslachtsrijpheid, seksueel misbruikt zou kunnen worden door volwassen opvoeders, aan wie het in heel z’n weerloosheid, zonder ontsnappingsclausule, is toevertrouwd.

Ik heb het hier natuurlijk over de hete, ziedende brij waar mijn twee pausen in hun biechtstoel nog wat omheen zitten te draaien: het wijdverbreide seksuele- en machtsmisbruik op katholieke instituten, internaten vooral, door de eeuwen heen, en dan toegespitst op de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, omdat we over die tijd - door archieven, getuigenissen, klachten - de meeste kennis bezitten. De daders zijn vaak al dood, na een leven gewijd aan God... noch gebod. Van hun slachtoffers leven er velen nog, met een beschadigde ziel.

Iedereen weet er inmiddels van. Elk weldenkend mens heeft er z’n ach en wee over uitgeroepen. Om het katholieke misbruik in Nederland in kaart te brengen is een paar jaar geleden een commissie ingesteld, onder leiding van recordhouder lucratieve bijbaantjes Wim Deetman, zoals bij ons nu eenmaal voor elk onwelgevallig verschijnsel een onderzoekscommissie op poten wordt gezet – doorgaans zonder verifieerbaar resultaat, behalve dan op de balans van het te besteden belastinggeld.

Het massale misbruik van minderjarigen door hoog opgeleid personeel van dekatholieke kerk, priesters en broeders... ik blijf me erover verbazen dat deze collectieve misdaad tegen de menselijkheid niet even massaal, en even internationaal, strafrechtelijk wordt aangepakt, met vervolging van de hogere verantwoordelijken. Dat de meeste mensen de duistere diepte van zo’n schandaal niet kunnen peilen, en er daardoor van wegkijken... misschien is het allemaal te herleiden tot een gebrek aan verbeeldingskracht. Men maakt zich een vage voorstelling van wat zich rond 1960 op donkere slaapzalen van internaten en in naar boenwas riekende priesterverblijven heeft afgespeeld, maar wat de ware uitwerking ervan is op de kinderziel, daar strandt doorgaans het inlevingsvermogen .

Zolang hoge vertegenwoordigers van overheden en samenlevingen beweren ‘geschokt’ te zijn, in plaats van het op grond van de vreselijke gebeurtenissen ook echt te zijn, mag het niet verwonderlijk heten dat er van Kerkwege obligate excuses worden geformuleerd, afgerond met een aalmoes aan schadevergoeding, in plaats van dat er over strenge strafrechtelijke maatregelen gesproken wordt. Ik doel dan niet op de vervolging van een paar overlevende, van ouderdom schuddende mannetjes met een priesterboord waar hun nek inmiddels vier keer in past, maar over het aanklagen van de verantwoordelijken voor deze wereldwijde mensenrechtenschending, deze integricide: de huidige topmanagers van de omstreden multinational die de rooms-katholieke Kerk is. Met name de paus en de curie - terwijl er ook wel eens nagedacht mag worden over de oprichting (het hoeft niet perse in Den Haag) van een Metafysisch Strafhof, ter berechting van een God – desnoods bij verstek te veroordelen – die bij zoveel vernederende vunzigheid jegens kinderen blijkbaar al die jaren weggekeken heeft.

Mijn hoop had ik gevestigd op de VN-commissie voor de Rechten van het Kind. Over enige activiteit uit die hoek viel tijdens het schrijven van deze lezing echter niets te melden - totdat het Vaticaan midden januari door de commissie op het matje geroepen werd in het Wilsonpaleis te Genève. Na lang aandringen door de VN was het Vaticaan afgelopen najaar eindelijk aan komen kakken met een onthutsend slap rapport over het kindermisbruik. Geschrokken van de reacties stelde de nieuwe paus Franciscus snel zelf een commissie in ‘tot bescherming van het kind’, met volstrekt duistere bevoegdheden.

Volgens de beproefde katholieke methode fleemde de Vaticaanse delegatie in Genève er lustig op los: dat de Kerk zich bewust was van de problemen en er momenteel echt alles aan deed om kinderen te beschermen tegen de grijpgrage handen van haar priesters. De commissie stelde vast dat de Vaticaanse procedures ‘niet erg transparant’ overkwamen. Zij eiste openheid ook over ‘de oude schandalen’ in plaats van die onder het tapijt te vegen.

Kijk, dacht ik, nou kunnen we praten. Ik had opnieuw buiten de arrogante brutaliteit van het Vaticaan gerekend, in dit geval bij monde van vertegenwoordiger Silvano Tomasi, die ijskoud stelde dat vervolging van priesters die zich aan minderjarigen vergrepen hadden geen zaak voor het Vati-caan was. Volgens hem gelden priesters niet als functionarissen van het Vaticaan, maar als onderdanen van het land waar ze functioneren. Zij ressorteren onder de jurisdictie van de maatschappij waarin ze gevestigd zijn, aldus Tomasi.

Wel, godverdomme! Het lef!

Aartsbisschop Charles Scicluna (wie kent hem niet) heeft weer een heel ander gevalletje bij de hand in Genève. Nuntius Jozef Wesolowski werd betrapt op seks met minderjarige jongens in de Dominicaanse Republiek, waarna hij naar Rome vluchtte. De VN-commissie voor de Rechten van het Kind wilde van Scicluna weten waarom de nuntius, inmiddels ex-nuntius, niet werd uitgeleverd aan de Dominicaanse Republiek, waar het misdrijf immers gepleegd was. Het antwoord van aartsbisschop Scicluna: „Zijne Eminentie Wesolowski is als diplomaat van de Heilige Stoel ingezetene van het Vaticaan. Indien nodig zal Zijne Eminentie terechtstaan volgens de wetten van het Vaticaan.”

En zo draaien de purper gestoffeerde konten maar door, tot zelfs de evenwichtigste getuige er duizelig van wordt. Niet onvermeld mag blijven dat aartsbisschop Scicluna op de VN-conferentie in zijn cv wordt aangeduid als ‘voormalig topfunctionaris Misbruikzaken van het Vaticaan’. Ik zou zeggen: een hele mondvol, als dat in deze context niet zo’n beladen term was.

De belangrijkste uitkomst van deze VN-zitting in Genève lijkt me dat de officiële woordvoerder van het Vaticaan heeft ontkend dat (ik citeer uit NRC/Handelsblad van 17 januari 2014) „bisschoppen of religieuze oversten optreden als vertegenwoordigers of gedelegeerden van de paus”. Kortom, het Vaticaan is niet verantwoordelijk voor wat er in de bisdommen wereldwijd aan smeerpijperij plaatsvindt of heeft plaatsgevonden. Ik kan me de diepe ontgoocheling van de slachtofferorganisatie SNAP voorstellen: een machtige, wereldomspannende, kerkelijke bureaucratie als het Vaticaan houdt vol dat zij geen zeggenschap heeft over haar eigen functionarissen.

Het is natuurlijk de manier om niet als criminele totaalorganisatie gebrandmerkt te worden, en als zodanig voor een internationaal hof terecht te hoeven staan.

Nu ik u zo direct en onopgesmukt met mijn aanklacht jegens de Kerk heb opgezadeld, wordt het tijd om nog even terug te keren naar het ceremonieel dat ik voor u bedacht heb: de twee pausen in hun biechtstoel, die zo langzamerhand wel spataderen zullen hebben gekregen van het roerloze wachten. Zij krijgen het laatste woord in ons virtuele toneelstuk. Ze hebben elkaar hun persoonlijke zonden opgebiecht, plus hun kijk op de zonden van de Kerk. Ze laten hun bekentenissen bezinken, en na een lang zwijgen zegt Franciscus: „Als God ons zo samen zag... Wat resteert er van Christus’ plaatsvervanger op aarde? Een Siamese paus. Een vergroeide tweeling, verstrikt in een dubbel wit dwangbuis, worstelend om een voorgoed verloren identiteit. Geef toe, Benedictus, u heeft me in een lastig parket gebracht met uw emeritaat. Om u de waarheid te zeggen, Heilige Vader... ik wens u een lang leven toe, maar ik voel me een stuk minder paus doordat u nog leeft en ademt.”

„Wees gerust, Heilige Vader”, zegt Benedictus, „ik maak het niet lang meer”.

En Franciscus weer: „Daar gaat het niet om, Heilige Vader. Dat bij mijn aantreden de vorige paus nog in leven was, betekende een devaluatie van de pontifex maximus, hoe men het ook wendt of keert. Ik ben, zoals u weet, een nederig mens... maar ik had het niet slechter kunnen treffen.

U bent nu een soort queen mum voor me. Ik zal tot aan de dood van Zijne Heiligheid de schaduw van Zijne Heiligheid over mijn pontificaat voelen liggen. Queen mums worden stokoud. Wie garandeert mij dat u me niet overleeft?”

Opeens verheft Benedictus zich, soepeler dan we de laatste tijd van hem gewend zijn, uit zijn geknielde positie. Hij lijkt als door een schijnsel van hoger inzicht doorstraald. (Toneelmatig denk ik hier aan het glas melk bij Hitchcock dat door een ingemonteerd fietslampje van binnenuit geheimzinnig wordt verlicht.) Hij treedt uit de biechtstoel, spreidt de armen en wendt zich tot Franciscus, die zich nog mokkend achter het paarse gordijntje bevindt: „Begrijpt u het dan nog steeds niet, Heilige Vader? De heilige twee-eenheid die wij nu samen gedwongen vormen, is een vooropgezet teken Gods. Het houdt een opdracht in. Aan ons tweeën. Aan de Siamese paus.”

Franciscus slaat het gordijntje opzij. „U roept niet zomaar God aan. Verklaar u nader.”

„Franciscus, u bent een man van het volk en de voetbaltribune... een paus der armen en verdrukten... u rijdt in een tweedehands Renaultje 4, en daardoor verliest u de metafysische dimensies van ons vak nogal eens uit het oog. Niet erg, theologen als ik zijn ervoor om de Allerheiligste Vader bij de les te houden. U kijkt verbaasd, uw mond zakt open... maar snap het dan toch, alstublieft! Het leerstuk van de pauselijke Onfeilbaarheid!”

„Ik geef toe”, zegt Franciscus, alsof hij zich een bijles herinnert, „als ik ex cathedra spreek, ben ik onfeilbaar.”

„Ik niet minder”, zegt Benedictus. „Kijk, ik heb mijn Petrusring nog.” (Regieaanwijzing: heft bevallig zijn zorgvuldig gemanicuurde hand op om zijn ring in de schijnwerper te laten flonkeren.) „Die kunnen ze alleen, desnoods met een beetje zeepsop, een dode paus van de vinger nemen... ten einde hem te vernietigen. Het geldt ook voor de pauselijke Onfeilbaarheid. Treedt een paus terug uit zijn ambt, dan kan de in hem geïncarneerde Onfeilbaarheid niet zomaar uit hem gesneden worden... door nog geen honderdduizend met scalpels uitgeruste kardinalen. Alleen de Dood kan zijn Onfeilbaarheid vernietigen.”

„Dat zit me nou juist dwars”, zegt Franciscus. „Ik bezit binnen het Vaticaan niet het monopolie op Onfeilbaarheid.”

„U bent warm”, zegt Benedictus. „Onze gezamenlijke Onfeilbaarheid is een unicum in de historie van de Kerk. Het kan niet anders dan door God zelf zo bestierd te zijn. We mogen er niet blind voor blijven. Kijk, Franciscus... in concreto heeft de rooms-katholieke Kerk zichzelf al, stapsgewijs, opgeheven door toe te staan dat de door haar benoemde dienaren vervielen tot de door Christus aan het kruis weggenomen zonden. Priesters zondigden massaal tegen wat ik noem gebod 10a: ‘Gij zult geen kinderen tot uw wil zien te krijgen.’ Hun zonden bleken resistent tegen Jezus’ lijden als nieuwe virussen tegen oude antibiotica. Aldus heeft de Kerk, in haar machteloos toezien, zichzelf al overbodig gemaakt.

„Het gaat er nu alleen nog om haar formeel op te heffen. Hier ligt, Franciscus, voor u en mij een door God opgelegde taak. De unieke som van uw en mijn Onfeilbaarheid zal, in metafysische formules vertaald, net zo krachtig blijken als de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki bij elkaar. Sterk genoeg om de Kerk wereldwijd van haar sokkel te lichten. We zijn het de Vader en de Zoon verplicht.”

Dan blijkt dat de volkse Franciscus, geshockeerd door het voorstel, toch meer aan de cultuur van zijn Kerk hecht dan uit zijn verzameling gesigneerde voetbalshirts naar voren komt. Hij werpt tegen: „Denkt u eens aan al die beelden, schilderijen, altaarstukken... de kerken, de kathedralen... al die teksten en muziekstukken, waarin leven en lijden, dood en wederopstanding van Christus zijn neergelegd... Moet dat dan ook allemaal maar afgedankt worden?”

„Ik pleit niet voor een nieuwe beeldenstorm”, roept Benedictus met ongewoon krachtige stem uit. „Voor het katholicisme hoeft geen kalere Kerk in de plaats te komen. Ik wil de kunstwerken die het christendom heeft opgeleverd juist beschermen... voor het nageslacht behoeden. Ik wil geen kathedralen afbreken. Ik wil de Kerk als instituut opheffen.”

„Ik begrijp”, zegt Franciscus, „dat u onze gezamenlijke Onfeilbaarheid als een soort neutronenbom beschouwt. Uw theologie is voor geen kleintje vervaard.”

„Het verhaal is verteld”, zegt Benedictus. „In miljoenen afbeeldingen, doopvonten, wijwaterbakken, bijbelcommentaren, mystieke geschriften is het verhaal neergelegd. Het heeft zich allang losgezongen van z’n oorsprong, en losgemaakt van z’n opdrachtgever. Het verhaal is verteld. Voordat het verder gecorrumpeerd raakt door de smeerlappen in priestertoga uit heden en verleden, moet het als de bliksem afgerond worden. Dat, mijn beste Franciscus, is onze heilige opdracht. Het verhaal is verteld. Het is genoeg geweest. Naar de duivel met de Kerk.”

„Ja, maar,” probeert Franciscus nog, „als we de Kerk omstoten, is het met de pauselijke Onfeilbaarheid meteen gedaan ook. Simson kan maar één keer de pilaren onderuithalen.”

„Zodra de Kerk is opgeheven”, zegt Benedictus, „hebben we die Onfeilbaarheid niet langer nodig. Dan gaan wij, oude mannen, eindelijk eens aan onze gezondheid denken. Dan gaan we tennissen, in sneeuwwitte shirts en shorts. Dan benoemen we een uiterst feilbare arbiter op een hoge scheidsrechtersstoel. Dat gaan we doen.”

    • A.F. Th. van der Heijden