Column

Egel

Column // Georgina Verbaan

Toen ik gisteren door Haarlem reed besloot ik een vriend die daar woonachtig is te bellen voor een kop koffie. „Ja...” Dat was leuk, zei hij. „Maar, je zou me ook even naar Halfweg kunnen rijden. Ik ga een auto kopen.” De vastberadenheid in zijn stem was alarmerend. Als ik hem niet zou brengen zou hij manisch op een kruising gaan staan en met gestrekte arm en vorsende blik een willekeurige auto tot stilstand brengen. „Breng me naar Halfweg, vrouw”, zou hij zeggen tegen de verbouwereerde moeder die de twee kinderen op haar achterbank naar een verjaardagsfeest zou brengen. „En zeg tegen die piraat en die poes dat ze zich koest houden, ik moet een auto halen.” „Ja, ik ga wel mee.” zei ik snel. Onderweg naar Halfweg informeerde ik naar de bolide. „Het is een Smart, uit ’99. Zwart.” „En verder?”, vroeg ik. Hij keek geconstipeerd. „Hoe bedoel je verder? Het is een auto.” „Ik bedoel; aantal kilometers, is de motor gereviseerd?” „Vermoei me niet met details”, zei hij en hij keek ontwijkend naar buiten. Hij gaat dat ding sowieso kopen, dacht ik. In wat voor een staat hij ook is.

„Ik ga hem hoe dan ook kopen”, zei hij. „Ik begin maandag met mijn nieuwe baan. Heb geen zin in de trein. En hallo, weet je hoeveel ik al van de prijs af heb gekregen? Hij vroeg 1.800 en ik kan hem nu meenemen voor 1.450. Ik heb enorm gepingeld.” „Zonder de auto te zien? Wat knap. Misschien zijn het wel twee op elkaar gestapelde bananendozen met opgetekende wielen. Zal je kat leuk vinden. Het is maar goed dat ik meega.”

Bij een louche garage ontmoetten we een shag rokende man. Hij sprak tot ons, maar ik was afgeleid door zijn egel. Uit zijn oor groeide een soort kleine neus waar weer haren uit groeiden die, naar ik inschatte, zo’n drie weken geleden bijgeknipt moesten zijn geweest en nu heel gelijkmatig een stekelig dier vormden. De auto zag er minder levensvatbaar uit. Butsen, krassen, roest. Ik constateerde dit hardop, en zag mijn vriend de neiging het Wilhelmus te zingen met twee vingers in zijn oren onderdrukken. „Hij is voorverwarmd, de uitlaat is warm”, constateerde ik als een tv-detective. „Nu kunnen we niet zien hoeveel rook eruit komt als hij start.”

Maar dat bleek incorrect, het starten was lastig, maar toen hij eenmaal aan was... ROOK! Ook tijdens de testrit. „Ach...”, zei hij. Maar omdat hij niet stinkend op zijn werk aan wil komen zag hij er gelukkig van af. Anders had ik hem knock-out moeten slaan.