Echte dierenliefde

Soort zoekt soort, vooral in het dierenrijk // Maar in uitzonderlijke gevallen lijken rivaliserende soorten een vriendschapsband te vormen // Een leeuwin die spiesbokjes verzorgt, een dolfijn tussen de potvissen

Een nijlpaardjong en zijn 100-jarige ‘adoptieouder’. Foto Thomas Omondi / Rex Features Ltd

Alle dieren zijn egoïsten, denken we. Wie zijn genen wil verspreiden, helpt zichzelf, zijn kinderen, zijn familieleden en, vooruit, zijn groeps- en soortgenoten.

En toch zijn er ook in het wild dieren die zich daarvan niets aantrekken. Zoals de beroemde leeuwin Kamunyak in Kenia, die tien jaar geleden een reeks spiesbokjes verzorgde alsof het haar eigen jongen waren. Maar er is meer. Een groep kapucijnapen die een jong penseelaapje opneemt. Een volwassen tuimelaar die bij potvissen woont. Een stel knobbelzwanen in Almere dat samen twee gansjes grootbrengt.

Je zou het, naar menselijke analogie, dierenliefde kunnen noemen. Ze bieden zorg en aandacht, waar ze binnen de biologische boekhouding niks voor terugkrijgen. Geen energie, geen levensjaren, geen nakomelingen.

Is dit gedrag uitzonderlijk? Ongetwijfeld. Maar is het ‘psychisch gestoord’, zoals leeuwenkenner Craig Packer over Kamunyak schreef? Of anders toch minstens een foutje? Onzin, vindt primatoloog Frans de Waal. Als antwoord op de vraag mailt hij vanuit de VS: „Als wij een hond in huis nemen, dus ons verzorgingsinstinct toepassen, zien we dit ook niet als een vergissing.”

De wetenschappelijke literatuur kent nauwelijks beschrijvingen van dieren met dierenliefde – de kapucijnapen, de potvissen en de zwanen zijn uitzonderingen. Maar afgelopen oktober verscheen in de VS het boek Unlikely Loves van Jennifer Holland dat erop wijst dat heel veel diersoorten er op zijn minst toe in staat zijn.

Holland beschrijft tientallen dieren die een dier, vaak een jong, van een andere soort aandacht gaven of verzorgden. In een Afrikaans opvangcentrum wordt een olifant vrienden met een schaap – dat toen ook acaciablaadjes ging eten. In een dierenasiel beschermt een watoesie-rund een kreupel paard. Een huiskip broedt op een nest jonge hondjes.

Holland heeft geen wetenschappelijke pretenties, de dieren zijn vooral cute, de enige getuigen hun verzorgers. En toch lijken haar verhalen Frans de Waal gelijk te geven. De bekende primatoloog pleit al jaren (ook in zijn nieuwste boek De bonobo en de tien geboden) tegen de beperkte darwinistische visie op altruïstisch diergedrag. En er zijn ook véél voorbeelden van altruïstische daden tussen dieren – van dezelfde soort, wel te verstaan. Eekhoorns alarmeren soortgenoten luidkeels als er een roofdier aankomt. Chimpansees adopteren elkaars baby’s. Zelfs mannetjes doen dat af en toe en daar maakt Disney dan een film over (Chimpanzee).

Er zijn twee klassieke evolutionaire verklaringen voor zulk altruïstisch gedrag. Eén: de dieren bevoordelen hun familieleden, waarmee ze indirect toch hun genen verspreiden. Twee: de dieren houden er rekening mee dat hun groepsgenoten hun in de toekomst óók gunsten zullen gaan verlenen.

Maar waarom springt een chimpanseeman die niet kan zwemmen in het water om een jong te redden? De Waal werpt die vraag op in zijn tot klassieker geworden artikel ‘Putting the altruism back into altruism’ (Annual Review of Psychology, 2008). Die is duidelijk niet bezig zijn genen te verspreiden, en evenmin is hij berekenend, vindt De Waal. „Het is moeilijk voor te stellen dat een chimpansee zich over zijn extreme angst voor water heen zet door berekenend te gokken dat hij er later profijt van heeft.” Nee, de aap voelt dat hij het kind moet redden – precies zoals mensen het voelen.

Dit gaat over altruïsme binnen één soort. Maar dat is niet wezenlijk anders dan een kapucijnaap met een penseelaap-jong, mailt hij desgevraagd. „De neiging om voor een ander dier te zorgen, is niet honderd procent zuiver geprogrammeerd voor de eigen jongen, alhoewel zulk gedrag daar aanvankelijk wel voor bedoeld was.”

Dat beaamt zoöloog Tim Clutton-Brock. De hoogleraar in Cambridge buigt zich net als De Waal over samenwerking tussen dieren. „De zorg voor niet-soortgenoten is afwijkend gedrag, veroorzaakt door een evolutionair heel nuttige neiging: om in een groep aardig en meewerkend te zijn.”

Veel dieren zijn tot ‘dierenliefde’ in staat, denkt hij. Maar in het wild dwingen de omstandigheden meestal tot competitie. „Liefdesgedrag is dus wel een beetje interessant, maar niet heel erg. Want het enige wat je hebt, is een lijst anekdotes.”

Maar dan beginnen we over dolfijnen te spreken. Er zijn wereldwijd zeker tien dolfijnengroepen beschreven die samenleven met andere soorten dolfijnen. Zoals bij de Bahama’s. Daar leven tuimelaars en Atlantische vlekdolfijnen samen – ze zijn langdurig gevolgd door biologen. De twee soorten reizen en jagen samen, en de samenwerking is dus evolutionair te verklaren omdat het beide soorten direct voordeel oplevert.

Maar dat directe voordeel is er lang niet altijd, zagen de onderzoekers. Er is ook wederzijdse hulp, schijnbaar onbaatzuchtig. Jonge mannetjes die andere dolfijnen willen verkrachten worden door volwassenen van beide soorten aangevallen. En één jong vlekdolfijnvrouwtje werd gespot terwijl ze continu een gewond tuimelaarjong op haar rug droeg (Aquatic Mammals, 1997).

Ja, daarvan zou je zou wel meer willen weten, zegt de Britse zoöloog. „Bij dolfijnen is dat praktisch gezien lastig, maar misschien kun je het bestuderen bij hoefdieren die samen met andere soorten migreren, zoals zebra’s. Ik zou denken dat ze aan dieren van de andere soort nauwelijks echt kostbare hulp verlenen. Maar welke keuzes individuen maken, dat weten we niet.”

    • Hester van Santen