De nieuwe, betere mens

Bernard Hulsman grasduint door de stapel binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

Reeds de oude Grieken klaagden graag over de jeugd. Gewoonlijk vinden ouderen dat de jongeren niet kunnen spellen en rekenen, niets meer weten van geschiedenis en aardrijkskunde, kortom, dat ze veel dommer zijn dan de ouderen toen ze jong waren. Maar in De wereld onder de duim [1] doet de 83-jarige Franse filosoof Michel Serres precies het omgekeerde. Zijn manifest is, zoals de ondertitel luidt, een lofzang op de internetgeneratie.

De afgelopen decennia is er, vooral door internet en sociale media, een nieuwe mensensoort ontstaan. Klein Duimpje en Klein Duimpinnetje heeft Serres, lid van de Académie Française, de nieuwe mensen gedoopt, omdat ze vooral communiceren met hun duimen op hun mobieltjes. Bijna alles is anders aan de nieuwe mens. „Ze hebben een ander hoofd dan hun ouders”, schrijft hij. „Daardoor is hun manier van kennen ook anders.”

De nieuwe mensen schrijven ook anders, en ze spreken een andere taal, met heel veel nieuwe woorden. Hun ruimte is eveneens anders: het web brengt ze overal waar ze zijn willen.

De nieuwe mensen zijn „geformatteerd” door de media en reclame, zo gaat Serres verder. Ze worden niet zozeer opgeleid op scholen en universiteiten als wel „door een systeem van verpletterende concurrentie dat zich laat voorstaan op zijn gebrek aan beschaving”. Maar wie denkt dat deze vaststelling leidt tot enkele kritische kanttekeningen bij de nieuwe mens, vergist zich. De nieuwe mens is in alle opzichten superieur aan de ouderen. Dat school en universiteit een kleinere rol spelen in de kennisoverdracht, is bijvoorbeeld geen enkel bezwaar. „Na het raadplegen van een goede website kan Klein Duimpinnetje over evenveel kennis beschikken aangaande het besproken onderwerp [...] als een docent, een directeur, een journalist, een afdelingschef [...] of zelfs een president, hoog zetelend in de spektakelhemel en gespitst op de eigen glorie.”

Veel minder optimistisch over de nieuwe tijd is René Cuperus in zijn columns in de Volkskrant, die nu zijn gebundeld in Het humeur van Nederland [2]. „Nederland heeft last van een kwaadsappig humeur”, is de eerste zin van de eerste column in de bundel.

Door internet leeft de 21ste-eeuwse mens in een „geschiedenisloze” tijd, vindt Cuperus, wetenschappelijk medewerker van de Wiardi Beckmanstichting, de denktank van de PvdA, in zijn Woord vooraf van zijn bundel. „Iets komt niet voor op het wereldwijde web? Dan bestaat het gewoon niet.”

In zijn columns doet Cuperus iets soortgelijks als Bas Heijne in NRC Handelsblad. Hij analyseert het Nederlandse onbehagen dat in de dagen van Pim Fortuyn aan de oppervlakte kwam en sindsdien niet meer is verdwenen.

Rode draad in zijn columns is dat de globalisering in Nederland winnaars en verliezers kent. De hoogopgeleide, kosmopolitische elite vaart wel bij de globalisering en juicht daarom zoiets als de versterking van de Europese Unie toe. De middenklassers en arbeiders zijn de verliezers. Zij worden getroffen door de afbraak van de verzorgingsstaat en de flexibilisering van de arbeid die door Europa wordt opgelegd.

De kernopdracht voor politici is daarom de volgende, schrijft Cuperus: „Hoe geef je ruim baan aan de ene groep – waar onze economische innovatiekracht vooral vandaan moet komen – en blijf je tegelijk bescherming bieden aan de andere groep?”

Nw R’dam staat op het omslag van De Wolf, John [3], de biografie van de ex-voetbalprof John de Wolf, die zijn carrière begon bij Sparta en later bij Feyenoord met zijn harige, Vikingachtige verschijning en bijbehorende keiharde spel een opmerkelijke verschijning was op de Nederlandse voetbalvelden.

Het opvallendst aan De Wolfs biografie, geschreven door Jeroen Siebelink, is de vorm. Het boek bestaat uit louter monologen en dialogen van De Wolf zelf, zijn moeder, zus en andere familieleden, vrienden, voetballers en trainers.

Natuurlijk komt John de Wolf het meest aan het woord. Pijnlijke gebeurtenissen schuwt hij niet. Uitgebreid vertelt hij hoe tijdens het WK in de Verenigde Staten in 1994 vals speelt bij het kaarten – „Ik kan niet geloven, wat ik aan het doen ben” – en vervolgens wordt genegeerd door zijn teamgenoten van het Nederlands elftal.