De krant moet kritiek op een stuk ook kunnen incasseren

Moet je altijd reageren op tegenspraak, een kwetsuur of belediging? In het dagelijks leven bij voorkeur niet, nee. Toen de beroemde schrijvers Paul Theroux en V.S. Naipaul elkaar na een pijnlijke breuk op straat in Londen tegenkwamen en Theroux vroeg waarom hij niets meer van zijn gewezen vriend hoorde, antwoordde Naipaul, hooghartig: Take it on the chin and move on. Kaken op elkaar, jongen, en doorlopen.

Een krant kan dat ook maar beter doen – soms.

Zolang het niet gaat om flagrante onwaarheden of smaad, siert het de krant om ruimte te geven aan kritische reacties – en dan niet telkens toch weer het eigen gelijk te willen halen met een naschrift of tegenstuk. Lezers houden niet van journalisten die wel uitdelen maar zelf niet tegen een stootje kunnen.

Aan de andere kant, soms zit er een mooie gedachtenwisseling in een repliek van een redacteur of zelfs, wie weet, als echo uit een ouder krantentijdperk, een heuse literaire polemiek.

De afgelopen week noteerde ik een paar, uiteenlopende, voorbeelden.

Eerst deze: Hans Wiegel deelde een plaagstoot uit naar de krant, zij het tussen de regels (‘Ontzettende waardering’ voor Samsom de verlorene, 26 februari). De oud-VVD-leider hekelde het „ongelooflijk stomme” optreden van PvdA-leider Samsom in de afluistercrisis rond minister Plasterk. Volgens Wiegel hadden spindoctors van de PvdA „jan en alleman” verteld dat de Tweede Kamer wel degelijk was ingelicht over de afluisterpraktijken van Nederlandse diensten, een interventie ten gunste van Plasterk die volgens Wiegel in het gezicht van de PvdA-leider was ontploft.

Jan en alleman, dat was ook de krant. Want die had de primeur gebracht die Wiegel hekelde, door Haags redacteur Derk Stokmans (De ‘commissie-stiekem’ sprak wél over belgegevens, 19 februari). Eén dag voor Wiegel had Paul Jansen, journalist van De Telegraaf, ook al beweerd dat de PvdA-leider dit nieuws had ingefluisterd bij Stokmans, „biograaf van Samsom”. Suggestie: Stokmans had maar één bron, en dat was Samsom.

Niet leuk, natuurlijk, en er ontstond wat rumoer over op de redactie.

Maar soms kun je beter doorlopen. Wiegel is immers een politicus in hart en nieren, en zo lezen mensen zijn artikelen ook. Bovendien, wie het stuk van Stokmans erbij pakt, ziet al snel dat hij ook „oppositiebronnen” aanhaalt. En dat hij zelf al vaststelt dat de politieke lading van de informatie onduidelijk was: „Betrokkenen oordelen achteraf verschillend of uit de bespreking volgt dat de Kamer in politiek opzicht ‘geïnformeerd’ is”. Een cruciale zin, die veel van de latere opwinding al voorspelt.

Laat het verhaal dan maar voor zichzelf spreken, ook als een columnist er later nog eens tegen ingaat (al ben ik er nu dan toch even bij stil blijven staan).

Bovendien, zo’n pesterijtje krijg je, want al is Stokmans niet de „biograaf van Samsom”, zoals Annet Bleich van Den Uyl, hij schreef wel een (ongeautoriseerd) boek over de PvdA-leider. Die munitie wordt gebruikt, als het uitkomt.

Ander voorbeeld, ook deze week.

Regisseur Johan Simons maakte in de bijlage Opinie&Debat afgelopen zaterdag bezwaar tegen de recensie van zijn voorstelling van Dantons Dood van Georg Büchner (Een botte kaakslag, 22 februari). Die had van recensent Ron Rijghard één bal gekregen (Drama ontbreekt in duffe Dantons dood, 10 februari). Elders werd de voorstelling positiever, zij het gemengd besproken, bijvoorbeeld als „met horten en stoten [..] ware theaterkunst” (de Volkskrant).

Simons nam het niet op de kin. Stilzitten tijdens het scheren is kennelijk als adagium niet alleen in de politiek allang vervangen door: blijven bewegen. Hij greep de recensie aan voor een filippica tegen het Nederlandse discours over kunst, dat volgens hem vergiftigd is door populisme en flets afsteekt tegen de grondige, serieuze benadering van Duitse kranten. De bespreking van Rijghard strookte volgens Simons met de kunstfobie van „partijen als de PVV”.

Stevige taal. Het stuk maakte dan ook de tongen los. Terecht dat de krant deze repliek plaatste, want, zegt chef opinie Maarten Huygen, het heeft een brede strekking en kaart een beladen cultuurverschil aan tussen de Nederlandse en Duitse benadering van de kunsten. Daar zit in aanleg een mooi debat in.

Alleen, Simons hamerde wel heel lang op die ene recensie, en dat leidde af van zijn kernpunt. Ja, het was een negatieve bespreking en de recensent had blijkbaar toch al weinig op met dit „hoogdravende” stuk, nog los van deze opvoering. Ik had bijvoorbeeld ook wel willen lezen of het ooit iemand in de toneelgeschiedenis wél is geslaagd het stuk tot leven te wekken, en waarom regisseurs dat blijven proberen, de vraag die Rijghard in het begin zelf stelt. Wat is eigenlijk het belang van dit toneelstuk?

In het algemeen: een geslaagde recensie geeft een afweging, analyse en een beredeneerd oordeel. Het gaat om argumenten die je als lezer kunt wegen, niet om voorkeuren die je al dan niet deelt. Juist daarom kun je over smaak niet twisten, maar over een recensie wel.

De bespreking van deze voorstelling had wat mij betreft wel uitgebreider, of zoals het in de kunsten heet ‘gelaagder’ mogen zijn, zonder iets aan het oordeel van de recensent af te willen doen. Maar om er nu een giftig PVV-spook uit tevoorschijn te toveren? Zwaar overdreven.

En ja, wat krijg je dan? Nu kon ook de recensent het niet op de kin nemen. In het Cultureel Supplement reageerde Rijghard donderdag op Simons’ tirade met een uitgebreider, beheerst getoonzet stuk (Niets akeliger dan slecht toneel, 27 februari), dat vooral de autonomie van de recensent onderstreepte. Een waar woord, natuurlijk, en klaarblijkelijk niet voor iedereen een open deur.

Maar zo verschoof het front alweer, te snel, van een debat over de kwaliteit van kunst en kunstkritiek naar armpje drukken tussen regisseur en recensent.

Misschien toch nog eens een Duitser het laatste woord geven.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong