De goede steuntrekker en de slechte steuntrekker

Immigranten in Nederland moeten steeds langer wachten voordat ze recht krijgen op bijstand. Het beleid gaat met de stroom mee. Nieuwkomers moeten toegang tot de verzorgingsstaat ‘verdienen’, vinden veel Nederlanders.

De Partij voor de Vrijheid heeft het door Maurice de Hond laten uitzoeken en zette het begin februari in een persbericht. Van de Nederlanders is 81 procent ertegen dat Bulgaren en Roemenen (die zich sinds 1 januari 2014 zonder werkvergunning mogen vestigen in andere lidstaten van de EU) in Nederland recht krijgen op toeslagen en uitkeringen.

Het is maar een momentopname, en het schandaal rond de Bulgaarse toeslagenfraude ligt nog vers in het geheugen. Maar de deur van de Nederlandse verzorgingsstaat gaat wel steeds verder dicht voor immigranten; ze moeten steeds langer in de wachtkamer zitten. Het kabinet wil de termijn van vijf jaar verblijf voor kiesrecht, bijstand en naturalisatie verlengen tot zeven jaar.

Die recente peilingen en beleidsombuigingen passen in een trend. Een deel van de Nederlandse kiezers vindt dat de verzorgingsstaat weliswaar moet worden beschermd, maar ook dat ouderen die hun hele leven hebben gewerkt meer recht hebben op zorg en uitkeringen dan immigranten. Sociologen noemen deze opvatting ‘verzorgingsstaatchauvinisme’. Daarmee bedoelen ze de overtuiging dat mensen de toegang tot voorzieningen moeten ‘verdienen’.

Peter Achterberg, sinds 1 februari hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Tilburg, heeft dit verschijnsel onderzocht en er een boekje over geschreven: Omstreden solidariteit. Hij vroeg aan mensen ‘wie komen volgens u in aanmerking voor steun van overheidswege?’ Dan blijkt dat migranten uitkomen in zo’n beetje de onderste positie. Samen met mensen die niet voldoen aan zogenoemde ‘wederkerigheidseisen’: werklozen die niet willen werken of door eigen schuld werkloos zijn geworden, mensen die worden beschouwd als ‘te lui om te werken’. Die vindt men vergelijkbaar met migranten. Desgevraagd gaf het Nederlandse publiek deze categorie gemiddeld een 3,9 op een schaal van 1 (steun onthouden) tot 10 (absoluut uitkering gunnen).

Ouderen zijn de categorie aan wie de zegeningen van de verzorgingsstaat het meest gegund worden. Zij worden gezien als mensen die jarenlang hebben gewerkt, het land hebben opgebouwd en nu mogen oogsten in de vorm van ruimhartige steun van de verzorgingsstaat. Zij scoren gemiddeld veel hoger (7,3) op de genoemde schaal van 1 tot 10.

Draagvlak

Wat voor gevolgen heeft immigratie voor de verzorgingsstaat van rijke democratieën? Recente Amerikaanse studies suggereren dat immigranten het draagvlak voor sociaal beleid (herverdeling en verkleining van inkomensverschillen) aantasten. Zo stelde sociologe Cybelle Fox in 2004 vast dat in Amerikaanse deelstaten met een hoger percentage Latinos meer burgers kiezen voor lagere overheidsuitgaven aan bijstand.

In een invloedrijke studie uit 2004 (Fighting Poverty in the US and Europe) schreven Harvard-onderzoekers Alberto Alesina en Edward Glaeser dat etnische heterogeniteit de belangrijkste reden is dat de VS een zwakkere verzorgingsstaat hebben dan West-Europa. Die heterogeniteit wordt niet alleen veroorzaakt door de vanouds grote groep Afro-Amerikanen, maar vooral door immigratie. Dankzij haar etnische homogeniteit zou Europa een sterkere arbeidsbeweging hebben, en daarmee een bredere steun voor sociaal beleid. Toenemende immigratie naar Europa, waarschuwden Alesina en Glaeser, kan die solidariteit ondermijnen.

In het februarinummer van de American Sociological Review verscheen een nieuwe, groots opgezette studie die het effect van immigratie op de verzorgingsstaat onderzoekt. De Amerikaanse sociologen David Brady en Ryan Finnigan, verbonden aan het Wissenschaftszentrum für Sozialforschung in Berlijn, onderzochten het effect van percentages in het buitenland geboren inwoners en de omvang van immigratiestromen op publieke steun voor sociaal beleid. Ze bekeken dit in 17 welvarende democratieën, van Canada tot Nieuw-Zeeland, van Japan tot West-Europa, voor de jaren 1996-2006. Zij vonden, verrassend genoeg, geen noemenswaardig effect.

Hoe kan zo’n groot onderzoek zo sterk afwijken van eerdere uitkomsten? Peter Achterberg weet het antwoord: „Dat komt omdat steun voor sociaal beleid onder bepaalde groepen ongetwijfeld sterk daalt door immigratie, en bij andere groepen niet daalt of zelfs stijgt, waardoor het effect wordt opgeheven. Landelijke gemiddelden zeggen niets over mogelijke conflicten die dit oplevert binnen de bevolking. Als je twintig mensen hebt die immigratie prima vinden, en twintig die er mordicus tegen zijn, dan vind je geen effect.”

„Het blijkt voor die totale steun niet zoveel uit te maken of er in een land meer of minder migranten zijn”, zegt Achterberg. „Maar daaronder kan veel schuilgaan. Er zijn tal van theorieën die voorspellen dat er etnische competitie komt op de arbeidsmarkt, dat er meer schaarste is van middelen aan de onderkant van de maatschappelijke ladder en dat bepaalde groepen in de samenleving – lager opgeleiden, met name, die niet zo tolerant zijn tegenover etnische diversiteit als hoger opgeleiden en niet zoveel op hebben met migranten – zeggen: ‘meer kan echt niet’. Of: ‘eigen ouderen eerst’. Niet het aandeel migranten maakt dat mensen meer of minder positief gaan denken over nieuwkomers, je moet differentiëren per opleidingsniveau. En dat mis ik in deze studie. Dat is ook de verklaring voor deze verrassende bevinding.”

‘Banen voor iedereen'

Het enige effect dat er echt uitsprong was een robuust negatief verband tussen percentages in het buitenland geborenen en steun voor de opvatting dat ‘de overheid moet zorgen voor banen voor iedereen die wil werken’. Portugal, dat in de steekproef het op twee na laagste percentage vreemdelingen had, scoorde het hoogst op deze maat (86 procent), terwijl Nieuw Zeeland, met een van de hoogste percentages in het buitenland geborenen, de zwakste steun liet zien voor dit standpunt (37 procent).

Achterberg ziet hierin een aanwijzing voor verzorgingsstaatchauvinisme. „Van de zes houdingen tegenover de verzorgingsstaat die de onderzoekers onderscheiden, blijft alleen bij ‘banen voor iedereen’ de groep begunstigden in het midden (anders dan bij bejaarden- en ziekenzorg), en juist daar is het migratie-effect het grootst. Het wordt kennelijk gelezen als ‘voor iedereen, dus ook voor immigranten’. Dit kun je overigens veel scherper onderzoeken door te vragen: vindt u het gewenst dat werkloze immigranten uitkeringen krijgen, of moeten die vooral gaan naar werkloze autochtonen? Dat hebben Brady en Finnigan niet gedaan, maar hun uitkomsten wijzen wel degelijk op deze vorm van chauvinisme.”

In Europese landen staat de vraag of iemand aanspraak kan maken op arrangementen van de verzorgingsstaat van oudsher los van zijn of haar herkomst. Maar dat is aan het veranderen. Achterberg: „Er worden steeds meer eisen gesteld aan mensen die willen trekken van de verzorgingsstaat. Ben je immigrant, dan mag je niet zomaar een uitkering aanvragen. Dan moet je eerst een poosje gewerkt hebben en dan moet je voldaan hebben aan allerlei andere voorwaarden. En dat beleid wordt warmhartig gesteund door de Nederlandse bevolking.”

Verzorgingsstaatchauvinisme wordt in Nederland vooral vertolkt door de PVV. Die partij is in de loop der jaren van mening veranderd over de verzorgingsstaat. Tijdens de Algemene Beschouwingen van 2008 zei Geert Wilders nog: „De verzorgingsstaat zorgt voor de verkeerde mensen: grachtengordeltypes, die elkaar banen toeschuiven, en allochtone uitvreters”.

Dat is hij onder invloed van de Deense zusterpartij, de Dansk Folkeparti (DF), gaan nuanceren. Die propageert behoud van de verzorgingsstaat, in combinatie met een zeer restrictieve, nationalistische immigratiepolitiek. Sinds Wilders DF-oprichter Pia Kjaersgaard heeft leren kennen, komt hij op voor de verzorgingsstaat. Maar hij vindt wel dat mensen de toegang tot voorzieningen moeten ‘verdienen’. Nieuwkomers uit Bulgarije en Roemenië doen dat in zijn ogen niet.

    • Dirk Vlasblom