Burgers die het niet interesseert – en lobbyisten die het gat vullen

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: Maxime Verhagen die voor de Hollandse bouwbedrijven de raadscampagnes naar zijn hand probeert te zetten.

Ofwel: hoe krijgt de lobbyist greep op de lokale politicus?

Hoe onschuldig zijn Nederlandse campagnes nog? Je moet even rondkijken, dan zie je het: minder onschuldig dan ze lange tijd waren. Al komt de ontwikkeling niet van de politici, of van de kiezers – die komt van de lobbyisten.

In de VS ontmoette ik op campagneavond ooit een vrouw die was ingehuurd als bird dog. Let op, zei ze. Zodra de kandidaat na zijn toespraak de vragenronde opent, beklaag ik me in een paar zinnen, afgepast voor de avondjournaals, over het homohuwelijk. Daarna dwing ik de presidentskandidaat tot een reactie: Can you talk a little bit about this, senator?

Het was onderdeel, zei ze, van een gerichte poging de campagne te beïnvloeden. Ze werd betaald door een rechts-religieuze groep, en een paar rijen verderop zat een tweede bird dog, die ook over het homohuwelijk zou beginnen. Zo zouden ze de beoogde media buzz creëren.

Bestelde vragen als pressiemiddel: het soort trucs waar ze in Amerikaanse campagnes allang niet meer van opkijken. Bijna iedereen gebruikt ze. Bijna elke bedrijfstak of actiegroep spendeert geld om zo, verhuld of niet, het openbare debat hun kant op te duwen.

Ik moest eraan terugdenken toen ik deze week, heerlijk was dat, Hollandse campagneavondjes voor de gemeenteraadsverkiezingen afreisde: gezegend het land waar het politieke publiek zo onschuldig is gebleven.

Woensdag zag ik de Amsterdamse PvdA-lijsttrekker Pieter Hilhorst in een zaaltje in Nieuw-West. Het zou over wonen en bouwen gaan, er was een man of dertig: betrokken burgers, geen scherpslijpers – laat staan bird dogs.

Nog maar net hadden ze zich gestort op die hele beleidsrijstebrij van scheef wonen, doorstromen en te hoge huren („laten we even prijspeil 2013 nemen”), of halverwege de avond moest Hilhorst weg: Pauw & Witteman had hem uitgenodigd. Zelf zou ik me als betrokken burger nogal gepasseerd hebben gevoeld. Niet deze mensen: och, ze begrepen het wel, ze wensten hem beleefd succes. En zetten hun gesprek daarna gewoon door.

Maandag was ik bij Jeroen Dijsselbloem in Nijmegen, die optrad met de lokale PvdA-lijsttrekker. Redelijke minister en kiezers met, zo te zien, oprechte zorgen. Geen hooligans uit het NEC-stadion, geen grote bekken. Alweer in geen velden of wegen een bird dog te bekennen.

Zelfs de rare vogels waren weggebleven. Het meest buitenissige type was de man die het PvdA-symbool, de roos in de vuist, opzichtig in zijn zelfgebreide trui had verwerkt. Lekker gek doen hoort bij Hollandse campagnes. Later in de week zag ik een doorgaans verstandig CDA-Kamerlid uit een trein stappen, en bleek me dat ze ook in die kringen werk maken van de speelse campagneoutfit: om zijn nek hing een CDA-groene sjaal met witte bollen aan het uiteinde.

De ballon, de rare sjaal, de gebreide trui, de malle pet: beter kan de onschuld van onze campagnes niet gesymboliseerd worden.

Toch veranderen er dingen. Wie dezer dagen in Den Haag zijn licht opsteekt onder lobbyisten, komt algauw te spreken over Maxime Verhagen en Bouwend Nederland. Daar is iets mee aan de hand.

De oud-vicepremier van CDA-huize, vaak geroemd om zijn tactisch vernuft, injecteert zijn lobbyagenda nogal nadrukkelijk in de raadscampagnes. Hij hamert op zaken als lagere grondprijzen en leges, renovaties van scholen, een minder krenterige verstrekking van starterleningen.

En hij kondigt aan – het opmerkelijkste – dat gemeentepolitici na de campagne niet van hem af zijn. „We herinneren hen aan hun verkiezingsbeloftes”, zegt hij in het verenigingsblad. „En waar nodig trekken we stevig aan de bel.”

Een breuk met zijn voorganger, Elco Brinkman (ook CDA), die jarenlang in stilte opereerde: via de bekende binnenlijntjes.

Maar de tijdgeest, vertelde Verhagen me donderdag in een telefoongesprekje, vereist een andere aanpak. Bouwbedrijven willen iets terugzien voor hun contributie. En politici stemmen hun keuzes – „ik weet dit uit eigen ervaring” – steeds meer af op zichtbaarheid in de media. „Als je niet in de krant staat, slaan ze je over.”

Dus Maxime Verhagen maakte al dat geluid welbewust. De bouw, en dan vooral de problemen in de bouw, moesten beter in beeld komen: de sector had het immers al jaren hondsmoeilijk.

Maar was zijn aanpak, vroeg ik, voor Nederland niet te agressief? „Ik ben scherp, niet agressief”, zei hij. En wat meer was: volgens hem werkte dit. Een krant als het Financieele Dagblad, zei hij, besteedde al weken bijna dagelijks aandacht aan grondprijzen sinds hij dit thema agendeerde. Ook zag hij diverse wethouders en provinciebestuurders op dit punt „in beweging” komen.

Tegelijk merkte ik dat onder lobbyisten de scepsis over deze aanpak domineerde. Zo vertelde Frans van Drimmelen, een van de bekendste Haagse lobbyisten, oud-voorzitter van de beroepsvereniging, dat je politici vooral irriteert als je ze tijdens de campagne op deze wijze benadert. Dan hebben zij hun plannen al gemaakt, dan willen ze contact met kiezers. „Niet met lobbyisten.”

Er speelt iets anders, hoorde ik uit de sector, en Van Drimmelen beaamde het. Die campagne van Bouwend Nederland, zei hij, is extern georiënteerd maar vooral voor interne consumptie: leden overtuigen dat Verhagen wel degelijk de taal van de bouwondernemer spreekt.

Zijn benoeming stuitte vorig jaar op weerstand van enkele grotere bouwbedrijven, die een ondernemer in plaats van een oud-politicus wilden. Vandaar dat Verhagen zich nu, zei Van Drimmelen, gedwongen voelde zo’n toon aan te slaan.

Een concessie die laat zien dat het populisme ook in deze wereld terrein wint. „De retoriek die bouwondernemers van Maxime willen”, zei Van Drimmelen, „is precies wat in de politiek niet werkt.”

Verhagen noemde dit een valse tegenstelling: er wordt ook nog steeds veel via stille diplomatie beklonken. „Het is en-en.”

Intussen vertelden die Haagse lobbyisten me dat ze steeds beter worden in beïnvloeding van lokale politici.

Zo wezen ze op de verfijnde aanpak van bij voorbeeld Detailhandel Nederland, de lobby van winkeliers, waarbij ze allemaal – supermarkten, groothandels, pomphouders, etc. – zijn aangesloten.

Bij die lobby, beaamde directeur Sander van Golberdinge, waren ze begin vorig jaar al met de raadsverkiezingen van volgende maand bezig: per brief van 1 februari 2013 vroeg hij bij de duizenden lokale partijen aandacht voor bekende winkelierthema’s: openingstijden, verordeningen, leegstand winkelcentra. En ze deden dit zo vroeg, zei Van Golberdinge, „omdat partijen toen nog moesten beslissen over hun programma”.

De winkelierlobby volgde zo de cadans van de politieke cyclus. Het bood kansen om in de tweede helft van vorig jaar, ruim voordat de raadscampagne begon, tot zaken te komen.

„Politici willen in de campagne pronken met hun beleid, daar speelden we op in”, zei Van Golberdinge.

En dus slaagde hij erin dat Amsterdam eind vorig jaar al de reclamebelasting halveerde; dat Den Haag de ozb voor huurders met eenderde verlaagde; dat in Almere een wethouder mede namens de ChristenUnie akkoord ging met koopzondagen. „Successen die we nooit hadden geboekt als we hadden gewacht tot de verkiezingscampagne.”

Het is dezelfde aanpak die je bij VNO-NCW aantreft, de succesvolste lobby van Den Haag. Ook daar hanteert men al decennia de stelregel dat een lobby pas werkt als je het systeem niet bestrijdt maar erin opgaat: alleen dan, redeneert men, kun je het systeem naar je hand zetten. Vandaar ook de benoeming deze week van CDA’er Hans de Boer, man van het midden, als opvolger van Bernard Wientjes.

Dus terwijl de burger amper nog interesse voor gemeentepolitiek opbrengt, en zich op campagneavondjes volmaakt onschuldig gedraagt, weten lobbyisten hun invloed op diezelfde lokale politici steeds verder te vergroten: pas nadat lobbyisten hun buit binnen hebben gehaald, krijgt de argeloze kiezer het woord.

Tegelijk blijkt bij die lobbyisten dat de bekendste en luidruchtigste het minst effectief zijn. En dat degenen die zich zelden in het debat mengen, die je nooit hoort of ziet, vermoedelijk de meeste invloed op uw lokale wethouder hebben.

    • Tom-Jan Meeus