Big Deal

Is de impact van het internet op de commerciële uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften te vergelijken met de inslag van de planetoïde die 65 miljoen geleden dinosauriërs van de aarde veegde? In elk geval lijkt hun gedrag niet langer van deze tijd.

Stel dat het niet over tijdschriften ging, maar dagelijkse boodschappen. Dan zou een supermarkt met dit plan kunnen komen: de big deal.

U loopt iedere dag met een mandje langs de schappen om boodschappen uit te kiezen, u staat in een rij bij de kassa om die afzonderlijke producten af te rekenen, en dan, bij thuiskomst, blijkt u weer wat vergeten te hebben. Dat is nu allemaal verleden tijd met… de big deal. Vanaf vandaag heeft u namelijk altijd het volledige assortiment thuis tot uw beschikking. Hoe werkt de big deal? Het is heel simpel. U koopt het totale winkelaanbod. Letterlijk alles. En zelfs meer, want de supermarkt behoudt zich het recht voor nieuwe producten te bedenken en u verplicht zich deze automatisch over te nemen – tegen een redelijke prijsverhoging, natuurlijk. Mocht u dit totaalarrangement niet zien zitten, dat is dan jammer, want er is nog maar één keten in de hele wereld!

Niemand hoeft gelukkig zo boodschappen te doen, behalve universiteitsbibliotheken. Uitgeverijen bundelen namelijk exact zo hun tijdschriften. Ze sluiten hun big deal het liefst af met een consortium van instellingen. Het ultieme business model: één klant (de verenigde universiteiten van de wereld) die één product koopt (alle mogelijke tijdschriften) en dat voor altijd.

De werkelijkheid is nog bizarder. Want waar de supermarkt nog voor de eigen producten zorgt, worden de tijdschriften volgeschreven door de onderzoekers zélf, gratis of tegen betaling – betaling áán de uitgevers wel te verstaan.

Dat is een supermarkt die groente van eigen grond levert. Te weten, úw eigen grond. U mag ze planten, wieden, begieten, rooien, plukken en afleveren bij de supermarkt. Daar wordt de groente vervolgens in een pak gedaan en – heel belangrijk – voorzien van een prijssticker. U mag dan uw eigen groente (en die van uw buren) terugkopen tegen een winstmarge die tegen de 50 procent loopt.

Afijn, u begrijpt de metafoor. Supermarkten zoals hierboven beschreven zijn alleen te vinden in de verhitte dromen van kruideniers. Waarom is deze fantasie dan toch werkelijkheid geworden in de academische wereld, die toch niet uit de allerdomsten bestaat?

Het grote idee achter de beweging voor open access is kristalhelder. Alle wetenschappelijke informatie moet meteen voor iedereen beschikbaar zijn. Want waarom zou je iets bedenken en het vervolgens op slot doen? Wat is de meerwaarde om informatie moeilijker toegankelijk te maken? Nu lopen de meeste modellen nog via universiteitsbibliotheken, waar kennis voorbehouden is aan een select gezelschap van medewerkers en studenten. Grote groepen geïnteresseerden zijn bij voorbaat uitgesloten: leraren en scholieren op middelbare scholen, journalisten, psychologen, professionals in de gezondheidszorg. En, niet te vergeten, iedereen die na een opleiding de opgedane kennis paraat wil houden. Het is een prachtig gebaar dat uitgevers hun tijdschriften gratis beschikbaar stellen in ontwikkelingslanden, maar ondertussen staan bibliotheekbudgetten zo onder druk, dat grote delen van de academische wereld onderdeel van de derde wereld zijn geworden.

Nu is dit einde van de commerciële wetenschappelijke tijdschriften al eerder aangekondigd. Bijvoorbeeld, door mijzelf, op deze plek, twee jaar geleden. Op dat moment was er zelfs sprake van een „academische lente”. Er was een boycot van wiskundigen tegen Elsevier, grote onderzoekfinanciers als de Welcome Trust en de Max Planck Gesellschaft richtten hun eigen open publicatie op en enkele prestigieuze universiteiten moedigden hun staf aan in vrij toegankelijke tijdschriften te publiceren. Is dit voorjaar dezelfde weg gegaan als de Arabische lente? Blijkt het internet wederom teleur te stellen als een bron van revolutie?

De stille academische revolutie loopt in ieder geval een stuk voorspoediger dan die in het Midden-Oosten. Werd de beweging in het begin voornamelijk gedragen door bibliotheken en individuele auteurs, waarna beroepsverenigingen en redacties van tijdschriften zich bij hen aansloten, nu ligt het initiatief grotendeels bij de financiers van onderzoek. Organisaties als NWO, filantropische stichtingen, landelijke en regionale overheden, tot en met Europa, vragen zich (terecht) af waarom ze het door hen betaalde onderzoek nog een keer moeten terugkopen in gedrukte vorm. Dat is aan de burger niet meer uit te leggen.

Met politici aan zet lijkt er een point of no return gepasseerd. Dat betekent trouwens dat er nauwelijks plaats is voor de vele subtiliteiten in het open access-debat. Zo is een enorme diversiteit in publicatiecultuur onder de disciplines. Het is onmogelijk om de deeltjesfysica, de medische wereld en de geesteswetenschappen onder één noemer te brengen. Het is niet ondenkbaar dat er onschuldige slachtoffers gaan vallen in de onstuitbare opmars naar vrijheid van informatie.

Er wordt veel gedebatteerd over de transformerende werking van het internet. Het overduidelijke voordeel van universele toegang brengt ook versnippering, oppervlakkigheid en een gefragmenteerd bestaan. Maar één ding is duidelijk: voor de poortwachters van informatie, voor iedereen die bepaalt wat anderen mogen kopen, zien of lezen, is het einde nabij. De big deal kan weleens de laatste kreet zijn van de brontosaurus. Geen big deal dus.