Baas, neem een racecar, neem een Saab

Gisteren overleed Hugo Brandt Corstius: Opperlander, columnist, taalwetenschapper, polemist, wiskundige en schrijver. Hij kon wetenschappers en politici breken, lezers verwarren en taal maken. Zelden schreef hij over gevoel, maar altijd met gevoel.

Met Hugo Brandt Corstius is gisteren een van de merkwaardigste mannen van Nederland gestorven. Hij hulde zich de afgelopen vijftig jaar in tientallen pseudoniemen, was taalwetenschapper, columnist, polemist en wiskundige – een schrijver die zag wat niemand anders opmerkte en en dat vervolgens kraakhelder opschreef. Zijn Opperlandse taal en letterkunde is het werk van een genie: een bizar monument voor de Nederlandse taal dat zijn weerga niet kent. Brandt Corstius, die al enige tijd ziek was, overleed in Amsterdam. Hij werd 78 jaar.

Het werk van Brandt Corstius was zijn leven lang een uiting van volstrekte en compromisloze eigenzinnigheid. Die kon zich uiten in een verlangen om alle 676 omkeerbare woorden van het Nederlands op een rij te zetten, met zinnen als ‘Baas, neem een racecar, neem een Saab’. Maar evenzeer in de meedogenloosheid waarin hij als columnist zijn tegenstanders te lijf ging. Nooit was hij van zins zich aan te passen.

Dat leverde hem grote liefhebbers en gezworen vijanden op. In de jaren zeventig en tachtig was Brandt Corstius, als Piet Grijs in Vrij Nederland en als Stoker dagelijks op de voorpagina van de Volkskrant, een van de invloedrijkste progressieve columnisten van Nederland. Toen hij in 1985 werd voorgedragen voor de P.C. Hooftprijs weigerde de toenmalige minister van cultuur Elco Brinkman die staatsprijs uit te reiken omdat de laureaat „het kwetsen tot een instrument had gemaakt”. Begin 1984 had Brandt Corstius Brinkmans partijgenoot, minister van Financiën Onno Ruding, in de krant „de Eichmann van onze tijd” genoemd. De ministeriële weigering – Brandt Corstius noemde de affaire „verrukkelijk” – leidde tot de oprichting van een onafhankelijke stichting die de P.C. Hooftprijs voortaan toekende en twee jaar later Brandt Corstius alsnog bekroonde.

De affaire rondom de prijstoekenning was er een in een lange reeks. Veel kritiek kreeg Brandt Corstius voor zijn harde aanvallen op de criminoloog Wouter Buikhuisen, die in de jaren zeventig – toen omstreden, nu gangbaar – onderzoek deed naar het verband tussen criminaliteit en biologische factoren. Brandt Corstius zette Buikhuisen weg als een charlatan met bedenkelijke ideologieën en kreeg een groot deel van de publieke opinie aan zijn zijde. Buikhuisen moest uiteindelijk vertrekken bij de Leidse universiteit. In latere jaren vocht Brandt Corstius een bittere polemiek uit met filmmaker Theo van Gogh, door hem gekwalificeerd als „de Eeuwige Antisemiet”. Willem Frederik Hermans vernoemde zijn essaybundel Malle Hugo naar „de pseudo-progressieve schreeuwlelijk”. Schreeuwlelijk is overigens een van de scheldwoorden die beginnen met de letter s, zoals die door Brandt Corstius werden vastgelegd op volgorde van scheldkracht. Het staat ongeveer halverwege de lijst, die loopt van ‘stoetel’ tot ‘ss’er’.

Orenfluisterlijk

Interviews gaf Brandt Corstius zelden, afgezien van een optreden in het programma Zomergasten en een enkel scholierenduo dat hij thuis vriendelijk ontving om hen vervolgens voor een deel van hun antwoorden kalmpjes door te verwijzen naar zijn column in Vrij Nederland. Die schreef hij gedurende tientallen jaren: zijn eerste stuk in het blad verscheen in 1957, het laatste in 2007. Onder zijn handen werd de column een genre dat tegelijkertijd politiek en literair kon zijn. In latere jaren liet hij zich wel eens ontvallen dat hij genoeg had van zijn column, dat hij dus de gekste dingen schreef, maar dat het hem maar niet lukte om weggestuurd te worden. Waarna hij bijkans stikte van het lachen.

Want het plezier dat Brandt Corstius kon hebben, om de wereld en om zichzelf, was eindeloos. Dat bleek ook uit Opperlans!, de in 2002 verschenen tweede en kolossaal uitgebreide versie van Opperlandse taal- en letterkunde. „Opperlans is Nederlands met vakantie”, schreef hij in het ‘Program’ dat overigens in die nieuwe versie belandde op pagina ‘ja’, de 234ste van het van pagina aa tot zz genummerde boek. „Opperlans is dan ook bedoeld voor het tweede gezicht. De Opperlander bekijkt de Nederlandse woorden en zinnen niet om er wijzer van te worden, maar om ervan te genieten. De Nederlander wordt bij het horen of zien van een woord orenfluisterlijk en ogenblikkelijk afgeleid door de betekenis daarvan. De Opperlander heeft daarvan geen last. Voor hem is het woord als een kastanjeboom, de zin als muziek.” Brandt Corstius schreef zelden over gevoel, maar altijd met gevoel.

De duizenden opperlandse taalvondsten, maar ook de andere teksten van Brandt Corstius, zijn een web van associaties en dwarsverbanden waar vaak geen ander op kan komen.

De precisie van zijn blik op taal hing samen met zijn exacte opleiding. Brandt Corstius werd geboren op 29 augustus 1935 als zoon van de Amsterdamse hoogleraar Nederlands J.C. Brandt Corstius. Hij studeerde wiskunde en algemene taalwetenschap en werd in zijn studententijd actief bij het Amsterdamse studentenweekblad Propria cures. Begin jaren zestig zette hij zijn zinnen op het schrijven van een roman ‘zonder begin of eind’ die dus spiraalvormig en zonder omslag gebonden zou moeten worden.

Het kwam er niet van, zoals ook een door hem aangekondigde biografie van Multatuli niet van de grond kwam. Brandt Corstius promoveerde in 1970 (Excersises in Computational Linguistics) en werkte als taalwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. Intussen schreef hij zo veel en zo snel dat hij zijn publicaties steeds meer uitsplitste naar verschillende pseudoniemen: behalve Battus, Stoker en Piet Grijs waren dat onder meer Maaike Helder, Dolf Cohen, Peter Malenkov en Raoul Chapkis.

Ze vertegenwoordigden diverse kanten van zijn persoonlijkheid, al moest dat niet heel precies worden genomen: Piet Grijs was uitstekend in staat tot zwartwitdenken. Brandt Corstius was vaste medewerker van deze krant, maar schreef ook voor onder meer Trouw, Vrij Nederland, Hollands Maandblad en de Volkskrant. Jarenlang sprak hij columns uit voor het VPRO-radioprogramma Welingelichte Kringen.

Waardeloos boek

Met boosaardig genoegen kon Brandt Corstius zich in het literaire debat mengen, bijvoorbeeld door in een lange reeks stukken te betogen dat De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch een waardeloos boek was, om vervolgens de Duitse vertaling van de roman te prijzen. Er moest alleen nog iemand gevonden worden die het boek in goed Nederlands kon vertalen.

De laatste jaren, waarin hij voor een nieuwe generatie bekend werd als de vader van columniste Aaf en journalist Jelle Brandt Corstius, schreef hij in NRC Handelsblad vooral nog boekrecensies, waarin hij geregeld probeerde zijn lezers op het verkeerde been te zetten met lange uiteenzettingen over waarom juist hij ongeschikt was om een bepaald boek te bespreken – om het tussen de regels door alsnog te recenseren. Een zekere vorm van verwarring, immers, kon zinvol zijn. Of zoals Karel van het Reve ooit in een liefdevolle typering van Brandt Corstius noteerde: „Ik heb een half uurtje met hem gepraat. Er was geen verstandig woord uit te krijgen.”

    • Arjen Fortuin