Anderen zijn trots op Europa, Europeanen niet

Bestaat Europa? Stel je die vraag in Amerika, dan volgt daverend gelach, meent de Amerikaanse Susan Neiman. ‘Denken wij over de verschillen na, dan doen we dat om de diversiteit van Amerika te loven, niet om ons af te vragen of de unie moet worden ontbonden.’

Hollande, Merkel en Cameron

Europeanen zijn niet in staat om Europa als ideaal te zien. Dit is deels simpelweg het gevolg van een algemeen menselijk onvermogen: we beschouwen datgene wat we al hebben bereikt als vanzelfsprekend en vergeten hoe moeilijk het is geweest om daar op uit te komen of hoe begeerlijk het anderen kan toeschijnen.

Op dit punt kan het perspectief van een andere achtergrond goed van pas komen. Hoewel Oekraïne of Afrika ook als voorbeelden hadden kunnen dienen, zal ik het hebben over het continent dat ik het beste ken: voor iedere Amerikaan uit de VS vormt Europa de belichaming van de droom van de Verlichting.

Dat is niet altijd zo geweest. Tegen het midden van de achttiende eeuw leken de plannen van Europese filosofen gedoemd tot vergetelheid in de landen waar ze hun oorsprong vonden. Frederik de Grote had Voltaire eindeloos in de watten gelegd, maar verbande hem uiteindelijk uit Potsdam; Catherina de Grote had Diderot gevraagd het Russische onderwijssysteem te hervormen, maar negeerde zijn voorstellen uiteindelijk volledig. De Polen noch de Corsicanen toonden werkelijk belangstelling voor de constituties die Rousseau voor hen had opgesteld.

Europa leek vast te zitten in hiërarchische en bureaucratische netwerken (ja, zelfs toen al), waar geen fris idee zou kunnen opbloeien. Europa mag de Verlichting dan hebben uitgevonden, alleen Amerika leek in de positie te verkeren om de ideeën daarvan te verwezenlijken. Europese denkers speculeerden over de vraag of alle mensen gelijk waren geschapen, maar Amerikaanse denkers namen deze gedachte meteen op in de Grondwet.

Maar vandaag de dag weerspiegelen Europese instellingen de ambities van de Verlichting veel meer dan hun Amerikaanse tegenhangers. Kijken we naar de harde feiten, dan leven de Europeanen in ‘Kantiaanse’ structuren – ‘Kantiaanser’ dan de wereld ooit heeft gezien. Zelfs de meest conservatieve Europese regeringen willen het raamwerk van de sociale voorzieningen, dat voorkomt dat de kloof tussen arm en rijk al te groot wordt, niet afbreken. In Europa worden een dak boven je hoofd, medische zorg en onderwijs gezien als rechten en niet – zoals in de Verenigde Staten – als gunsten.

Dit verschil heeft cruciale gevolgen. Als je meent dat iets een recht is, denk je dat het je toekomt omdat je nu eenmaal tot het menselijk ras behoort, of althans tot dat deel dat zo gelukkig is om in de Europese Unie te wonen. Als je meent dat iets een gunst is, prijs je jezelf gelukkig als jouw meerderen het zich verwaardigen om het aan jou te geven.

Europa probeert niet alleen gelijkheid, maar ook democratie te waarborgen. Iedereen die meer dan één baan nodig heeft om zijn gezin te kunnen voeden, of die na een jaar hard werken slechts twee weken vakantie krijgt, zal nauwelijks tijd of energie hebben om over politiek na te denken. Door kunst en cultuur te financieren en door ervoor te zorgen dat de burgers genoeg tijd hebben om daarvan te kunnen genieten, bevorderen Europese regeringen niet louter het amusement, hoe waardevol de bevordering daarvan ook mag zijn, maar leggen ze tevens het fundament voor de betrokkenheid van de burger.

Zelfs in Groot-Brittannië, waar de sociale voorzieningen onder Thatcher verder zijn uitgekleed dan op het Europese vasteland, bestaat nog het soort gezondheidszorg waar de Amerikanen dankbaar voor zouden zijn. Aan de overzijde van de Atlantische Oceaan zorgen slechte voeding, dakloosheid, kinderen met vuurwapens maar zonder gezondheidszorg, hoge aantallen gevangenen en de dalende levensstandaard ervoor dat grote delen van de VS eruit zien als de ‘natuurtoestand’ van vóór de Verlichting, beschreven door Thomas Hobbes.

Maar ook al zijn de institutionele structuren van de Verenigde Staten en Europa uit elkaar gegroeid, de ideeën erachter zijn grotendeels dezelfde gebleven. De Amerikanen geloven in de dromen van de Verlichting en in hun vermogen om die te verwezenlijken, zelfs als die dromen steeds verder buiten hun bereik komen te liggen, terwijl de Europeanen blijven geloven in de grimmige werkelijkheid van de Realpolitik, ondanks al hun verworvenheden.

De Amerikanen hebben wellicht een Hobbesiaanse jungle geschapen, maar denken nog wel steeds dat ze de gerechtigheid en de rechtvaardigheid dienen. De Europeanen hebben misschien een Kantiaanse tuin in het leven geroepen, maar zijn te trots om hun eigen prestaties te nuanceren.

Merkwaardig genoeg geniet de Verlichting volgens mij nergens ter wereld zo weinig aanzien als in Europa. Het verdedigen van de Verlichting en het vasthouden aan een visie op Europa zijn dus diepgaand met elkaar verbonden: de Verlichting is het beste dat Europa ooit heeft bedacht, en ook al lijken de Europeanen de laatsten te zijn die dit beseffen, de idealen van de Verlichting zijn op geen enkele plek in de wereld zozeer verwezenlijkt als in het hedendaagse Europa.

Maar waarom zouden we ons tot de Verlichting moeten wenden? Omdat er eenvoudigweg geen beter alternatief is. Het afwijzen van de Verlichtingsidealen leidt tot pre-moderne nostalgie of postmodern wantrouwen; waar de Verlichting ter discussie staat, is de moderniteit in het geding. Als je de Verlichting verdedigt, verdedig je de moderne wereld, met al zijn mogelijkheden voor zelfkritiek en verandering. Als je de Verlichting bent toegewijd, wil je die wereld begrijpen om hem te verbeteren.

De Verlichting van de eenentwintigste eeuw moet het werk van de achttiende eeuw voortzetten door nieuwe gevaren voor de vrijheid te onderzoeken en de sociale gerechtigheid uit te breiden.

De filosofen van de Verlichting hadden ook veel belangstelling voor minder hoog ontwikkelde culturen. Koningen en koninginnen financierden grote reizen om nieuwe territoria en handelsmogelijkheden te ontdekken, maar ook om kennis te vergaren. Botanisten en kunstenaars voeren mee op de schepen om op te tekenen wat zij onderweg tegenkwamen. De denkers van de Verlichting waren ook geïnteresseerd in andere normen en zeden, vooral in die van het Oosten en de Pacific. China en Tahiti werden tijdens de Verlichting gemythologiseerd.

Ook al baseerde men zich op vaag omlijnde ideeën over andere landen en naties – in een tijd dat reizen iets banaals is geworden is het moeilijk te beseffen hoe lastig dat reizen ooit is geweest –, die ideeën stonden wél voor iets cruciaals: de universaliteit van de mensheid. Voor de Verlichtingsfilosofen was Europa noch het christendom superieur: beide konden veel leren van de rest van de wereld, en wat daarbij werd opgedaan had universele betekenis, met name de beginselen van gerechtigheid en rechtvaardigheid.

Kortom, de Verlichting was de eerste pan-Europese beweging die echte belangstelling aan de dag legde voor het leren van andere culturen, en voor het verdedigen ervan – dikwijls tegen een hoge prijs.

Wat zijn de waarden van de Verlichting? Tolerantie wordt doorgaans als eerste genoemd, maar dat is een ernstige vergissing. Tolerantie is een concept dat berusting impliceert. In plaats daarvan zou ik het internationalisme onder de aandacht willen brengen - een begrip dat in dit tijdperk van mondialisering veel weerklank ondervindt. Zoals ik zojuist suggereerde, is het internationalisme geworteld in de Verlichting. Als we echt de moed hebben om ons hard te maken voor het internationalisme, hebben we wellicht ook de moed om van onze eigen cultuur te houden. Deze twee benaderingswijzen zijn niet met elkaar in tegenspraak, maar vullen elkaar juist aan. Als ik niet zozeer tolerantie voel voor de cultuur van iemand anders, maar juist serieuze belangstelling of zelfs enthousiasme, waarom zou ik mijn eigen cultuur dan niet óók kunnen waarderen?

In Duitsland en andere delen van Europa lijkt links deze mogelijkheid te willen uitsluiten. In Nederland ben ik verbaasd over de hoeveelheid mensen die de opkomst van het populistisch nationalisme, vertegenwoordigd door Geert Wilders, betreuren, maar het lastig vinden zich voor te stellen hoe ze zich ertegen kunnen verweren. En als ik opper dat je makkelijk trots kunt zijn op je eigen traditie, word ik met een zeker wantrouwen tegemoetgetreden. Toch is er genoeg materiaal van hoge kwaliteit voorhanden – van de vroegste teksten van de Verlichting zelf tot de uitvinding van een schilderkunst die democratische waarden belichaamt, waardoor doodgewone mensen en voorwerpen dezelfde waardigheid verkrijgen die voorheen louter was voorbehouden aan aristocratische helden.

Uiteraard hebben de Nederlanders naast Spinoza en Vermeer ook oorlogen en kolonialisme en een zekere banale handelsmentaliteit voortgebracht, waar veel hedendaagse Nederlanders zich voor schamen. Maar volwassen worden, en dat geldt voor zowel landen als individuen, is een proces waarin je kunt kiezen welke delen van je erfenis je wilt afwijzen en welke delen je je eigen wilt maken. Als progressieve mensen dit weigeren te doen, zullen conservatieven de zogenoemde Leitkultur als hun exclusieve domein opeisen. We weten dat ze dit al met succes hebben gedaan.

Noem het historische ironie, als je wilt: de Kantiaanse visie van hoop op de mogelijkheid van verwezenlijking van de Verlichtingsidealen vindt weerklank buiten Europa, maar vrijwel geen enkele zichzelf respecterende schrijver in Europa zou haar vandaag de dag durven toepassen op de geboortegrond van de Verlichting zelf. Europeanen zullen waarschijnlijk nog liever uiting geven aan hun twijfel over de vraag of Europa wel echt bestaat, behalve als een (onbepaalde) geografische eenheid en een verzameling economische verdragen.

Maar vraag een Afrikaan, een Aziaat of een Amerikaan of Europa bestaat en je zult worden onthaald op een daverend gelach. Er kan natuurlijk op regionale verschillen worden gewezen. Maar wat hebben Louisiana en New York nu voor gemeenschappelijks, afgezien van (wellicht) de taal? In termen van geschiedenis, geografie, klimaat en cultuur kunnen Kansas en Hawaii nauwelijks méér van elkaar verschillen, maar als we over die verschillen nadenken, doen we dat om de diversiteit van Amerika te loven en niet om ons af te vragen of de unie moet worden ontbonden.

Ik weet heel goed dat Europa niet hetzelfde is als Amerika, Canada, India of Turkije – allemaal multi-etnische staten die (soms méér en soms minder) succesvolle manieren hebben bedacht om met hun eigen diversiteit om te gaan. Terwijl Europa intensieve discussies voert over de vraag of het als geheel kan bestaan, is de rest van de wereld op zoek naar de idealen die Europa zou kunnen bieden als het zich zou kunnen bevrijden van zijn eigen onmacht en gebrek aan zelfvertrouwen.