Als je echt iets wilt: doe het nú, stel niks uit tot later

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

(Boven) „Mijn moeder had een fotomontage laten maken, van ons als compleet gezin.”(Onder)„Met de trein gingen we het land door, zoals naar het Drielandenpunt, 1978.”

„Sinds Nieuwjaarsdag 2010 ben ik de enige van ons gezin die nog in leven is: sinds m’n 45-ste heb ik geen ouders meer en zijn ook mijn beide broers al overleden.

„Ik draag ze met me mee, als engeltjes op m’n schouders. Ik probeer er niet te veel bij stil te staan. Ik heb een druk leven, met onze eigen zaak, en twee kinderen, en vrijwilligerswerk. Ik leef sterk met het besef dat het leven zomaar opeens voorbij kan zijn. Niks uitstellen, en zorgen dat je nergens spijt van hebt – we leven nu eenmaal niet met de garantie dat we allemaal oud mogen worden.

„Drie keer in haar leven heeft mijn moeder twee mannen in uniform aan de deur gehad. In 1965 kwamen ze vertellen dat mijn vader plotseling was overleden, in 1985 mijn oudste broer, in 1993 mijn jongste.

„Mijn vader was 29 jaar, toen hij in elkaar is gezakt. Hij was op herhalingsoefening bij de Landmacht. Op een avond voelde hij zich niet goed, hij zei: ‘Ik ga buiten even een luchtje scheppen.’ Daar hebben zijn maten hem later dood gevonden. Mijn moeder bleef achter met twee jonge kinderen en een derde op komst.

„Ik heb mijn vader niet gekend. Gemist heb ik hem niet, in die zin dat ik nooit beter heb geweten dan dat mijn moeder de spil was van ons gezin. We woonden op de eerste verdieping van een flatje in Rotterdam-Schiebroek; recht beneden ons woonden opa en oma, de ouders van mijn vader. Had je een lekke band, dan plakte opa die voor je in de fietsenkelder.

„Mijn moeder was een sterke, zelfstandige vrouw. We hadden een woonkamer van vier bij vier, die vaak vol zat: iedereen was welkom, niks was te veel. Mijn vader had zijn pensioen en verzekeringen goed geregeld: mijn moeder is achtergebleven met een redelijk maandinkomen, ze hoefde niet te werken voor haar geld. Ze had een stacaravan gekocht op een camping in West-Brabant. Haar zwager bracht en haalde ons ieder jaar. De hele zomervakantie waren we zes weken buiten, heerlijk.

„In de zomer van 1985 stonden er op een zaterdagochtend thuis opeens twee agenten op de stoep. Mijn broer Harm, HTS- student, 22 jaar, had op zaterdagen een baantje bij de drogist, vakken vullen. Net als mijn vader is hij opeens in elkaar gezakt. Een moeder van een vriendin zag het gebeuren en heeft nog geprobeerd hem te reanimeren.

„Je blijft met heel veel vragen achter. Waarom overkomt ons dit nou nog een keer, wij hebben ons portie toch al gehad? Gelukkig konden we er goed over praten met elkaar, zoals mijn vader ook altijd wel aanwezig is geweest in de verhalen. Mijn broer had geen vrouw, geen kinderen – in die zin liet hij ons geen zorgen na. Ik was twintig, zat op de MTS en was druk bezig mijn eigen weg te vinden in het leven – zo gaat dat dan.

„Acht jaar later, Oudejaarsavond 1993, ging de telefoon. Ik woonde inmiddels samen met mijn huidige man. Het was mijn moeder, huilend en verward aan de lijn. Weer waren er agenten aan de deur geweest. We moesten zo snel mogelijk naar het ziekenhuis in Vlaardingen komen. Daar, in zo’n familiekamer, hoorden we dat mijn jongste broer die middag op zijn werk van zijn stoel was gegleden.

„Mijn vader en mijn twee broers zijn alle drie aan een hartstilstand overleden. Ik heb in die jaren bij mezelf wel DNA-onderzoek laten doen, maar ik werd er niks wijzer van: geen erfelijke dingen gevonden, alleen wat kille statistiek gekregen. Misschien is het DNA-onderzoek inmiddels al weer een stap verder, maar ik wil ’t niet weten. Wat heb ik eraan? Ik heb geen zin in een leven met een angstig vooruitzicht.

„Na de dood van mijn jongste broer hebben mijn man en ik wel bij elkaar gezeten om goed tot ons te laten doordringen wat we hadden meegemaakt. Hoe gaan wij ons leven verder inhoud geven? Willen we kinderen? Ja, die wilden we – en die zijn er gelukkig gekomen.

„Mijn man had het in die tijd niet naar z’n zin op z’n werk. Ik zei: ‘Dan begin je toch een eigen zaak?!’ Ik had op dat moment ook een fulltime baan, we hadden een financiële basis. Onze instelling werd: als je echt iets wilt, doe het nú, stel niks uit tot later. Op een kamer hierboven is mijn man met zijn zaak begonnen. Inmiddels zijn we uitgegroeid tot een internationaal opererend bedrijf, met dertien man personeel in dienst.

„Toen het bedrijf begon te lopen, heb ik volop meegedraaid. Ik deed de boekhouding, waarvoor ik niet ben opgeleid, maar je rolt erin, groeit mee met het werk.

„Nieuwjaarsdag 2010, om een uur of twaalf ’s middags, belde mijn moeder. Ze had zware pijn in haar rug. Een klein uur later waren we in het ziekenhuis. Niks te vinden. Ze moest blijven voor onderzoek, de volgende dag. Ik ging naar haar huis om wat spullen te halen. Daar werd ik gebeld: ze waren bezig met reanimeren. Dat is mislukt.

„De eerste tijd na haar dood ben ik blijven doorrennen. In een eigen bedrijf is het werk nooit klaar. Tweeënhalf jaar geleden knapte ik af. Labiel, moe, tobben – niks voor mij. We hebben iemand in dienst genomen voor de boekhouding. Ik heb een half jaar de tijd genomen om na te denken, uit te rusten, aandacht voor familie.

„Ik heb die tijd echt nodig gehad om nu te kunnen zeggen: we zijn op de goeie weg, we halen uit het leven wat erin zit. Onze zoon van zeventien gaat al jarenlang helemaal voor z’n sport: karten – hij draait mee in de internationale top in zijn klasse. Onze dochter, nu vijftien, is dol op dieren. Samen hebben we 48 dierentuinen en -parken in Nederland bezocht, we zijn op safari geweest in Kenia.

„In Oostenrijk zijn we alle vier van een berg gesprongen: parapente. Ik hing daar in de lucht en even dacht ik: waar zijn we in hemelsnaam mee bezig, één van ons kan hier zomaar een vreselijke smak maken?! Het is goed afgelopen. Telkens als we zoiets bijzonders hebben gedaan, denk ik: dit kan niemand ons ooit afpakken! Als ik doodga, kan ik met volle overtuiging zeggen dat ik gelééfd heb. Nu geleefd. Want straks leven – dat moet je altijd maar afwachten.”